Chirurgijn bij de VOC

In 1753 had de Compagnie ruim driehonderd chirurgijns in dienst: ruim honderd in de vestigingen in Azië en tweehonderd op de schepen op zee (meestal twee per schip).
Chirurgijns hadden vooral een praktische opleiding doorlopen binnen het gilde van chirurgijns, waarbij de nadruk lag op heelkunde. Aderlaten, het zetten van botbreuken en het amputeren van ledematen werd grotendeels door chirurgijns uitgevoerd.

Daarnaast waren er academisch gevormde doctores medicinae, afgestudeerden in de geneeskunde, die in het Latijn aan de universiteiten werden onderwezen. Zij hielden zich vooral bezig met het genezen van interne ziekten, met diagnostiek en het voorschrijven van medicamenten.

De heelkunde en de geneeskunde waren echter niet strikt gescheiden en in de achttiende eeuw begaven chirurgijns en geneesheren zich in toenemende mate op elkaars gebied. Het zou trouwens weinig verschil gemaakt hebben of er nu een chirurgijn of een doctores medicinae aan boord was geweest. Beiden hadden geen idee en ervaring hoe de ziektes aan boord en in de tropische landen bestreden moesten worden.

De chirurgijn aan boord

De chirurgijn had zijn hut op het halfdek. ’s Morgens vroeg begon de chirurgijn met het klaarmaken van medicijnen op het vuur van de kombuis. Na het ochtendgebed hield de chirurgijn spreekuur aan dek. De provoost (scheepsonderofficier) riep de patiënten op met het versje: “Kreupelen en blinden, komt laat U verbinden. Boven bij de grote mast, kunt ge de meester vinden…”

Tragische ongevallen

Nog afgezien van oorlogsverwondingen, was het aantal ongevallen aan boord groot en waren de letsels door vallende stangen, katrollen, losrakend geschut en storm vaak ernstig. Bevriezingsverschijnselen waren ook niet zeldzaam gedurende de koude winters. Tragische ongevallen vonden ook plaats.

Neem als voorbeeld een ongeval op het schip Prinses Royal dat in 1652 op het punt stond om terug te varen naar Holland. Een dienaar van de konstabel was bevolen iets uit de kruitkamer te halen. De specerijengeur was echter zo sterk dat de jongen van zijn adem werd benomen en stikte. Een ander werd er achteraan gestuurd en bezweek eveneens. Toen men vermoedde wat er aan de hand was werd een derde man aan een touw naar beneden de kamer in gehesen.

Bij het ophijsen bleek de knoop van het touw niet strak genoeg te zitten. De man viel in de kamer en stierf net als zijn voorgangers. Een vierde man werd naar beneden gestuurd aan een touw en kwam bewusteloos doch levend terug. Het was duidelijk dat niemand meer de kruitkamer in kon gaan. Luiken en deuren werden daarom geopend en de wind moest de gevaarlijke dampen wegblazen. Een dag later konden de lijken worden geborgen.

Naast dergelijke ongevallen kwamen veelvuldig zogenaamde Kwalen van Venus en Mars voor: geslachtsziekten (Venus) en verwondingen door vechtpartijen (Mars). Deze behandelingen mocht de chirurgijn bij de bemanning zelf in rekening brengen. Alleen behandelingen die een gevolg waren van de scheepsdienst werden gratis behandeld.

De medicijnenkist

De kist met medicamenten en instrumenten was de wapenuitrusting van de scheepschirurgijn. De verscheidenheid van de inhoud was zeer groot: bijna 250 verschillende soorten laxerende middelen, kruiden, bloemen, zaden, stropen, honingsoorten, gedroogde vruchten, poeders, oliën, zalven, pleisters, gommen, meelsoorten, en chymica. De kist was verdeeld in laden en vakken.

Kruiden en andere drogerijen werden bewaard in leren zakjes, behalve de sterk vochtaantrekkende, die in tinnen busjes geborgen moesten worden. Stropen en conserveren gingen in geglazuurde aarden kruikjes; gedestilleerde waters en bijtende vloeistoffen in glazen flessen met tinnen dop. Iedere fles had in de kist zijn afzonderlijk met wollen stof gevoerd vakje. Zalven borg men in stenen potjes, afgesloten door een varkensblaas.

Ziektes

De meeste passagiers hadden last van scheurbuik, rodeloop en waterzucht. Daarnaast zag de chirurgijn vele gevallen van vlektyfus, hoofdpijn, hevige, brandende koortsen, en krankzinnigheid voorbij komen. Uit ellendigheid sprongen sommigen van boord, weer anderen staken zichzelf neer om zelf een einde te maken aan hun lijden.

Scheurbuik

Zieken met scheurbuik klaagden over ‘benoudtheydt op de borst, pijn en snijdinghe in de buik, blauwe vlekken, swelling aan de beenen, sterke coors, bedorve tandvlees, groote dorst en een droge beslaghe tongh, bloedige fluymen en wonden waaruyt bloedige stinkende etter vloeyen’. Scheurbuik was een van de meest voorkomende kwalen aan boord. Na verloop van tijd was de voorraad vers fruit en groente op en kreeg de bemanning een tekort aan vitamine C.

Medici wisten wel dat deze kwaal simpel verholpen kon worden met behulp van citroensap, maar citroensap was maar beperkt houdbaar en al bedorven voordat bij de bemanning de eerste tekenen van scheurbuik zichtbaar werden. Pas omstreeks 1780 werd ontdekt dat door toevoeging van rum citroensap veel langer houdbaar werd gemaakt. Ook de verversingsstations van o.a. Kaap de Goede Hoop, met tuinen vol verse groenten en fruit, hebben ertoe bijgedragen dat scheurbuik op een gegeven moment niet meer de belangrijkste oorzaak van ziekte en sterfte aan boord was.

Vlektyfus

Vlektyfus werd gekenmerkt door “verlies van eetlust, hoofdpijn, moeheid, droefgeestigheid, dorst en bittere smaak in de mond, dan volgde koorts en andere verschijnselen als delire, spruw, convulsies en flauwten. In de huid zag men vlekken van verschillende kleur, maar vooral de kleine donkere vlekjes, het ‘peperkoorn’…”

Vlektyfus is een ziekte die veel voorkwam en voorkomt in gevangenissen en soldatenkampen. Het is een ziekte die te maken heeft met het te dicht opeen wonen van mensen, met vervuiling en onzindelijkheid. Vlektyfus woedde hevig onder de soldaten tijdens de oorlogen in Europa in de achttiende eeuw en onder de bemanning van marine- en koopvaardijschepen op zee. De ziekte wordt overgebracht van mens tot mens door een steek van kleerluizen. Kleerluizen leven in de kleren en kunnen niet langer dan een dag zonder bloedmaal. Simpele hygiëne zoals wassen of uithangen van kleren is daarom tegen vlektyfus uiterst effectief.

Behandeling

De scheepschirurgijn kon vaak alleen het leed wat verzachten door geneeskrachtige omslagen, zalven, laxeermiddelen en aderlatingen toe te passen. Een andere methode van behandeling was de zogenaamde zweetkuur: De patiënt kreeg een afkooksel van pokhout –guajac of lignum sanctum geheten- en van kina, sarsaparilla- en sassafraswortels te drinken. Daarnaast kreeg hij vele dekens of dampbaden waardoor hij sterk aan het zweten gebracht werd. De behandeling moest dertig dagen herhaald worden. Aan boord werden dergelijke zweetkuren uitgevoerd in een donker hol, onder in het schip bij het kabelgat, dat, waarschijnlijk niet ten onrechte, ‘de Hel’ werd genoemd. Mocht de zweetkuur niet baten, dan had de chirurgijn een nog sterker middel: de kwijlkuur. De patiënt werd met kwikhoudende zalf ingesmeerd totdat een sterke speekselvloed optrad. Hoeveel patiënten aan een kwikvergiftiging zijn gestorven, laat zich slechts raden.