Dit is een licht bewerkte versie van de inleiding die werd uitgesproken bij de presentatie van het digitaliseringsproject van de archieven van 25 Zeeuwse ambachtsheerlijkheden op 5 juni 2026 in het Zeeuws Archief.
Wat waren ze boos, de Zeeuwse ambachtsheren, toen het nieuwe provinciebestuur in het vroege voorjaar van 1795 de heerlijke rechten buiten werking stelde. De voor die tijd moderne democraten die meteen na de Bataafse Omwenteling op de bestuurszetels in de Middelburgse Abdij hadden plaatsgenomen, vonden die rechten in strijd met de ‘Rechten van de Mens en Burger’, zoals die door hun ideologische kompanen elders in het land waren opgesteld, en wilden zo snel mogelijk van de ambachtsheerlijkheden af. Maar zo makkelijk ging dat niet. De Zeeuwse ambachtsheren stonden op hun achterste benen en beten fel van zich af. Jacob Verheye van Citters, ambachtsheer van Sint Laurens, en Johan Canter de Munck, ambachtsheer van Serooskerke (op Walcheren), schreven een lijvig boekwerk ter verdediging van de heerlijke rechten, dat de heren aan het provinciebestuur aanboden. Beiden waren goed thuis in dit soort politiek-juridische onderwerpen, dus een grondige onderbouwing van de ambachtsheerlijke rechten was hun wel toevertrouwd. Ondertussen weerden de ambachtsheren zich ook ieder voor zich, nadat ze door het provinciebestuur – de zogeheten provisionele representanten van het volk van Zeeland – gevraagd waren om opgave te doen van de rechten en voordelen die aan hun heerlijkheden verbonden waren. Hendrik Muilman, echtgenoot van de ambachtsvrouw van Haamstede, formuleerde het op niet mis te verstane wijze. De heerlijke rechten waren voor zijn echtgenote en haar nazaten “van eene (…) niet te bepaalen waarde; geen tonne schats zijn te begrooten tot eene schadevergoeding van een wettig verkreegen recht, door den voormaalige souverain [hier bedoelt Muilman de Staten van Zeeland, het oude provinciebestuur] toegestemt en bij herhaling gesanctioneerd.” Muilman weigerde zelfs de gevraagde opgave te doen: voor iets waarvan hij, naar eigen zeggen, de waarde niet kon schatten en bovendien wilde hij er niet aan meewerken om zijn nakomelingen van een recht te beroven.
Kortom, het zat diep, en de ambachtsheren brachten alles in stelling om hun heerlijkheden te behouden. Ze claimden de ware grondleggers van Zeeland te zijn – hun voorvaderen hadden volgens hen de gronden ingepolderd, waarna ze door de Zeeuwse Staten met de heerlijke rechten waren uitgerust –, ze wezen op het vele goeds dat zij voor de dorpen en de bevolking hadden gedaan, ze lieten hun emoties doorklinken – de heerlijkheid was familiebezit, die moest op hun kinderen over kunnen gaan –, maar bovenal verdedigden zij hun heerlijk bezit op zakelijke gronden. De heerlijkheden waren voor hen primair een zakelijk belang, waarvoor hun voorouders en ook zijzelf zich financiële offers hadden getroost. Soms omdat er was geïnvesteerd in inpoldering van de grond, maar vaker omdat voorouders de heerlijkheid hadden gekocht en er dus geld voor op tafel hadden gelegd. Een heerlijkheid vertegenwoordigde dus een financiële waarde en maakte deel uit van het familiekapitaal.
Ik zal u verder niet vermoeien met het verloop van de hele discussie over het al dan niet opheffen van de heerlijkheden, want die zou nog tientallen jaren aanslepen, maar ik haal hem hier aan, omdat je er zo goed uit op kunt maken wat hun heerlijk bezit voor de ambachtsheren en -vrouwen van toen betekende. (Hierna zal ik omwille van de leesbaarheid alleen spreken over ambachtsheren waar ik ook ambachtsvrouwen bedoel.) Vrijwel alle ambachtsheren in die tijd waren afkomstig uit de regentenelite. Vaak kwamen kwam ze uit een van de Zeeuwse steden, de overige kwamen van buiten de provincie. Voor hen was een heerlijkheid een zakelijke investering, in die tijd vooral een zakelijke investering in status. De eigenaar vergrootte met het bezit ervan zijn maatschappelijk aanzien. Hij maakte dat bijvoorbeeld zichtbaar door zijn achternaam te verlengen met de naam van de heerlijkheid. Daardoor ontstonden welluidende familienamen als De Jonge van Ellemeet, Steengracht van Oostkapelle en Huyssen van Kattendijke. In de kerk had de ambachtsheerlijke familie eigen zitplaatsen, soms was er zelfs een aparte deur waardoor zij de kerk betraden en weer verlieten. Er hingen rouwborden van de ambachtsheerlijke familie en soms werden familieleden ook in de kerk begraven. Een illuster voorbeeld hiervan was recent nog in het nieuws omdat het gerestaureerd is: het praalgraf van ambachtsheer Hieronymus van Tuyll van Serooskerke in de kerk van Stavenisse. Was de heerlijkheid al langer in de familie, dan ging dit familiebezit ook gepaard met een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor instandhouding daarvan. Zorgvuldig vermogensbeheer kenmerkte de Zeeuwse regenten en we zien dat terug in hun felle verdediging van hun heerlijke rechten toen die in en na 1795 afgepakt dreigden te worden.
Een ambachtsheerlijkheid in die tijd stond dus voor politieke macht, sociale status en zakelijk belang. Om de achtergronden hiervan beter te begrijpen voer ik u in vogelvlucht langs de oudere geschiedenis van de ambachtsheerlijkheden in Zeeland. Mediëvisten als Kees Dekker, Peter Henderikx en Arie van Steensel hebben hierover veelvuldig gepubliceerd en ik ontleen het navolgende over de middeleeuwse ontstaansgeschiedenis dan ook aan hen.
Rond de elfde eeuw zal er in Zeeland een vorm van organisatie van lokaal publiek gezag tot ontwikkeling zijn gekomen, maar door gebrek aan betrouwbare bronnen is daarover weinig met zekerheid te zeggen. Het zal om nogal autonoom opererende heren zijn gegaan, waaraan de lokale bevolking onderhorig was. In de literatuur worden ze ook wel omschreven als ‘mannetjesputters’ en ‘potentaten’. Geen mannen dus die je als graaf van Holland of Vlaanderen zomaar kunt passeren wanneer je voet aan de grond probeert te krijgen in Zeeland. Dat gebeurde dus ook niet. De Hollandse en Vlaamse graven zullen noodzakelijkerwijs op de bestaande constructie met deze ‘mannetjesputters’ hebben voortgeborduurd en de heren hebben geaccepteerd als leenmannen met als leen het schoutambacht dat erfelijk was.
In het begin van de twaalfde eeuw ontstonden de eerste schepencolleges onder voorzitterschap van een of meer ambachtsschouten. Die colleges werden ambachtsvierscharen genoemd. Aan deze meer lokale rechtspraak ontstond behoefte omdat de samenleving complexer werd. De bevolking nam toe, het aantal nederzettingen net zo en grond werd intensiever benut voor landbouw. Conflicten lagen op de loer. Voor het ambacht met zo’n schepenbank, dat grotendeels samenviel met een parochie, introduceerde Kees Dekker de term ‘vierschaarambacht’. Het gezag in het vierschaarambacht betrof de rechtspraak, het innen van belastingen en boeten, de zorg voor de waterstaat en de verdediging van het gebied en vaak ook het toezicht op de kerk, de kerkelijke belastingen, de parochie en soms zelfs het patronaatsrecht, het recht om iemand voor te dragen voor de functie van pastoor.
Na het midden van de twaalfde eeuw begonnen deze vierschaarambachten te versnipperen. Nieuwe vierschaarambachten splitsten zich af. Dat kon, zolang er maar een parochiekerk aanwezig was, want dat was volgens het geldende gewoonterecht een voorwaarde voor de stichting van zo’n vierschaarambacht. De Zeeuwse ambachten hadden ook typische kenmerken die deze ontwikkeling in de hand werkten. Behalve dat het mogelijk was een ambacht te vervreemden door het te verkopen of weg te schenken – iets wat bijvoorbeeld in Holland niet voorkwam – was karakteristiek voor Zeeland dat ambachten vererfden en dat ze dat deden op álle zonen van de ambachtsschout. Zeeuwse ambachten waren dus deelbaar en toen de bevolking verder groeide, zag bij tijd en wijle een ambachtsschout of een groepje ambachtsschouten zijn kans schoon om een eigen vierschaarambacht te vestigen. Al die tijd heetten deze mannen nog ‘schout’, in de loop van de dertiende eeuw gingen deze schouten zich ambachtsheren noemen.
Zo had zich in een paar eeuwen tijd een institutioneel kader ontwikkeld voor het politiek-juridisch bestuur op het Zeeuwse platteland, dat ook een belangrijk deel van het sociaal en economisch leven regelde. In de late middeleeuwen konden de ambachtsheren hun positie nog versterken. De versnippering van de vierschaarambachten was tot stilstand gekomen. Veel kleine heren verkochten juist hun ambacht aan rijkere heren, die dat toevoegden aan hun al bestaande bezit. Ook dienden zich nieuwe gegadigden als kopers aan. Het aantal niet-adellijke heren nam in de vijftiende eeuw sterk toe, nadat was bepaald dat ambachtsheren niet meer per se van adel hoefden te zijn.
De organisatie van het lokaal bestuur in ambachtsheerlijkheden werd in grote lijnen voortgezet ten tijde van de Republiek. Als gevolg van de Opstand kwamen heel wat heerlijkheden te koop, waardoor het type eigenaren wel veranderde. Naast de oorspronkelijke eigenaren – vaak lagere, lokale adelfamilies die na de Opstand in Zeeland waren gebleven –, lieten steden hun oog vallen op de heerlijkheden. Goes bijvoorbeeld kocht in 1615 de heerlijkheid Borsele en Middelburg schafte tal van Walcherse heerlijkheden aan – iets waar het overigens al vóór de Opstand mee was begonnen. Ook Zierikzee en Vlissingen bezaten heerlijkheden. Toen Middelburg in de zeventiende eeuw in financiële problemen kwam, moest het zijn heerlijkheden weer verkopen; die kwamen toen in handen van meest Middelburgse regenten. Met dit alles deed zich een interessant fenomeen voor, namelijk het feit dat het lokaal bestuur op het Zeeuwse platteland vanaf de zestiende eeuw grotendeels in handen kwam van de stad – stadsbesturen dan wel stedelijke patriciërsfamilies.
Het belangrijkste recht was nog altijd het recht op overheidsgezag. De ambachtsheer stelde de plaatselijke bestuurders aan en had ook de bevoegdheid om zelf wetten uit te vaardigen die rechtskracht hadden in zijn heerlijkheid. Voorwaarde was wel dat deze wetten niet strijdig waren met de wetten van de hogere autoriteiten. Ook had de heer allerlei bevoegdheden die het sociaal en economisch leven aangingen. Zo moesten ambachtslieden, bijvoorbeeld een timmerman of een wagenmaker, altijd toestemming aan hem vragen om zich in de heerlijkheid te vestigen. Ook had de ambachtsheer zitting in het plaatselijke college dat predikanten beriep en leden van de kerkenraad koos. En dan was daar nog de eigenaardige ‘herendienst’, het recht van de ambachtsheer om elke ingezetene met een paard-en-wagen eenmaal per jaar voor zich te laten rijden. De boeren moesten dan goederen vanuit de stad naar het buitenverblijf van de heer brengen, mest uitrijden over zijn bouwland, hout, stenen of aarde vervoeren of wat er ook maar nodig was. Daarmee kon de heer nog best wat geld uitsparen, zeker in een wat grotere heerlijkheid. Martinus Johannes Veth, heer van Westkapelle, beschikte in 1751 over 24 boeren die zo’n dienst aan hem verplicht waren. Dat betekende dat Veth gemiddeld per twee tot drie weken gedurende één dag de beschikking had over een boer met paard-en-wagen.
Behalve politieke macht genoten de ambachtsheren ook ‘ambachtsgevolgen’, andere rechten die aan de heerlijkheid verbonden waren geraakt. Het kon daarbij gaan om bijvoorbeeld het jachtrecht, visrecht, veerrecht of maalrecht. Dat laatste werd ook wel ‘het recht van de wind’ genoemd en hield in dat alle koren op de molen van de heerlijkheid moest worden gemalen. Ambachtsheren ontleenden aan deze ambachtsgevolgen ook inkomsten, als ze deze rechten verpachtten. Het jachtrecht hielden zij vaak aan zichzelf.
Tussen de ambachtsheer en degenen die in de heerlijkheid woonden, golden wederzijdse rechten en plichten. De heer stelde zich op als beschermheer van de ingezetenen en in ruil daarvoor verlangde hij hun gehoorzaamheid. Er is een prachtig voorbeeld van deze wederzijdse gunstverlening bewaard gebleven in de vorm van een bericht in de Middelburgsche Courant van 12 juli 1777, waarbij verslag wordt gedaan van het inhalen van de nieuwe ambachtsheer van Domburg, Anthony Ewout van Dishoeck, enkele weken eerder. Het was een feestelijke happening, met erebogen en al, en de jongeman werd bij de grens van de heerlijkheid opgehaald en onder grote belangstelling in een draagstoel Domburg binnengedragen. In die stoel komt hij bij het stadhuis aan en daar wordt hij door de magistraat “gerecipieerd, gedefroyeerd [onthaald] en zegen gewenscht; terwijl onze ingezetene zig, gestadig, herinnerden het vriendelyk en minzaam caracter van wylen des tegenwoordigen Heers Vader, en, van harte wenschten dat zyn Wel-Ed. Gestr. met dezelfde sentimenten bezield, moge deelen in die liefde, die zyn Wel-Ed. Gestr., in zijn leeven, van onze ingezetene, met het hoogste recht en na verdiensten, altoos, genooten heeft, en wy, lang, het geluk mogen hebben zijn Wel-Ed. Gestr. als onzen Heer, te beminnen, onder het genot van alle heil, voorspoed en zegen.”
Hoe welkom kun je zijn! Maar daar moest wel iets tegenover staan. Het plichtsbesef van de ambachtsheer kwam vooral tot uitdrukking in financiële ondersteuning van de lokale gemeenschap, in het bijzonder van de armenkas en de kerk. Veel bemoeienis met de dagelijkse gang van zaken in de heerlijkheid hadden ambachtsheren in de achttiende eeuw niet meer – eigenlijk hadden ze dat al niet meer sinds de vijftiende eeuw –, zelfs niet wanneer ze hele zomers op hun buitenplaats in de heerlijkheid verbleven. Het dagelijks bestuur lieten ze over aan de schepenen en de schout, die soms tevens secretaris was en in die rol ook verantwoordelijk voor het behartigen van de belangen van de ambachtsheer. Uit onderzoek dat ik in de achttiende-eeuwse archieven deed, bleek dat de dorpsbesturen redelijk autonoom hun gang konden gaan. De ambachtsheer bemoeide zich alleen met het plaatselijk bestuur als er een scheidsrechter nodig was omdat er ergens een conflict over was ontstaan of als zijn eigen bezittingen in het geding waren. Het was aan de dorpsbestuurders om de wet te handhaven en het dagelijkse reilen en zeilen in goede banen te leiden. Zo beschermden ze ook het bezit van de ambachtsheer, want een ordentelijke financiële huishouding en de afwezigheid van sociale onrust strekten een ambachtsheer tot eer. Diens aanzien stond op het spel als inwoners de wetten niet naleefden en incapabele bestuurders brachten hem evenzeer in diskrediet. Zo was het welvaren van de dorpsgemeenschap nauw verbonden geraakt met het aanzien van de ambachtsheer.
Dit systeem lijkt in onze ogen een toonbeeld van sociale en politieke ongelijkheid, maar zo werd het lange tijd niet ervaren. Dit type gezag werd als vanzelfsprekend geaccepteerd, het werd in de calvinistische Republiek gezien als het resultaat van een orde die door God was gewild. Het systeem kwam pas ter discussie te staan toen het in de tweede helft van de achttiende eeuw werd vereenzelvigd met de aristocratische heerschappij die de oude elite werd aangewreven door de patriottenbeweging – overigens ook niet door alle patriotten, want daaronder bevonden zich heel wat ambachtsheren! – en met name door de Bataafse revolutionairen in 1795. Met als resultaat de dreigende afschaffing, waarmee ik mijn verhaal begon.
Uiteindelijk werden de heerlijkheden in 1848 onder Thorbecke van hun politieke macht ontdaan. Toen bleven behalve de ‘ambachtsgevolgen’ nog twee betekenisvolle aspecten over: het statussymbool en de band met de dorpsgemeenschap. Het moeten wel statusoverwegingen zijn geweest die de rijke diplomaat Maurits van Vollenhoven ertoe hebben aangezet om in 1928 de ambachtsheerlijkheid Kleverskerke te kopen en zich vervolgens heer van Kleverskerke te gaan noemen. En wat betreft de band tussen de ambachtsheerlijke familie en de dorpsgemeenschap: die kon heel hecht zijn, zeker als een ambachtsheerlijkheid al meerdere generaties in één familie was overgegaan, en er bijvoorbeeld familieleden waren getrouwd of begraven lagen. Het boek Versailles aan de Schelde van Anna van Suchtelen over de familie Van Hattum als ambachtsheerlijke familie in Ellewoutsdijk laat dit fraai zien aan de hand van drie generaties vrouwen uit deze familie.
Recent wordt aan die mecenaatsgedachte weer een nieuwe invulling gegeven door die te betrekken op de zorg voor erfgoed, natuur en landschap in en rond de heerlijkheid. Een sprekend voorbeeld daarvan is de Stichting Heerlijkheden Sinoutskerke en Baarsdorp, die zelfs op de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed is geplaatst. De stichting voelt zich “gestimuleerd om verder na te denken over een moderne invulling van eeuwenoude gebruiken”, zo is op de website te lezen. Dit laat zien dat het tien eeuwen oude fenomeen van het ambacht nog een levende institutie is, die opnieuw met zijn tijd weet mee te bewegen en nog een toekomst voor zich heeft.
Die toekomst ligt ook in verdere bestudering van het verleden van de ambachtsheerlijkheden, dat nu door de digitalisering van hun archieven dichterbij wordt gebracht. Uit ervaring weet ik welk een schat aan informatie in deze archieven verscholen ligt. Niet alleen over het functioneren van de ambachtsheren en -vrouwen, maar ook over het politieke, sociale en economische leven op het platteland van Zeeland. Ik feliciteer het Zeeuws Archief met de voltooiing van dit project en ik spreek de hoop uit dat de archieven veel digitaal stof zullen doen opwaaien op dit razend interessante onderzoeksterrein.
Geraadpleegde literatuur
C. Dekker, Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen (Assen 1971/Krabbendijke 1982).
Jeanine Dekker, Het bezit van heerlijkheden op het Zeeuwse platteland, 1678-1848. Een verkenning van de macht van de stedelijke elite in het buitengebied, in: Archief, mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 2006, 123-161.
Jeanine Dekker, Onderdanig en opstandig. Desurbanisatie en de politieke verhoudingen op het platteland in Zeeland 1750-1850 (Zwolle/Utrecht 2011). (citaat Muilman op p. 34)
Simon Groenveld m.m.v. Albert Meijer, Politieke verhoudingen, in: P. Brusse, W. Mijnhardt (red.), Geschiedenis van Zeeland, dl. II (Zwolle 2012), 147-197.
P.A. Henderikx, Politieke geschiedenis, bestuurlijke instellingen in: P. Brusse, P.A. Henderikx (red.), Geschiedenis van Zeeland, dl. I (Zwolle 2012), 107-124.
Peter A. Henderikx, Adel, ambacht en leenerfrecht op Walcheren in de eerste helft van de veertiende eeuw in grafelijke kanselarijregisters en rentmeestersrekeningen, in: J.W.J. Burgers.
E.C. Dijkhof, G. van Herwijnen (red.), Bureaucratie in wording. Studies rond de kanselarijregisters van de Hollandse grafelijkheid in de Henegouwse periode, 1299-1345, Hilversum 2023, 216-236.
W.H. Lenselink, De adel op Schouwen en Duiveland circa 1340. Middeleeuwse edelen, van groot tot klein, in: Kroniek van het land van de zeemeermin 22 (1997), 27-42.
P. Leupen, Waar komen de ambachtsheren eigenlijk vandaan?, in: Zeeland 28 (2019) 2, 53-58.
A. van Steensel, Edelen in Zeeland. Macht, rijkdom en status in een laatmiddeleeuwse samenleving (Hilversum 2010), 260-278.
Arie van Steensel, Lokale en regionale bestuurlijke instellingen, in: P. Brusse, P.A. Henderikx (red.), Geschiedenis van Zeeland, dl. I (Zwolle 2012), 243-264.
Overige geraadpleegde bronnen
Inleiding op het archief van M.W.R. van Vollenhoven, ambachtsheer Kleverskerke, 1890-1976, Zeeuws Archief, toegang 1808.
Anna van Suchtelen, Versailles aan de Schelde. Familiekroniek (Amsterdam, eerste druk 2017).
www.sinoutskerkebaarsdorp.nl
Afronding digitalisering Zeeuwse ambachtsheerlijkheden
In juni 2026 is het Metamorfozeproject Zeeuwse ambachtsheerlijkheden afgerond. Lees meer over dit project en de ambachtsheerlijkheden.
/digitalisering-zeeuwse-ambachtsheerlijkheden-afgerond/