Hoe Vlissingen een houthaven werd in 1964

Ron van Maanen, senior informatiebeheerder

Vandaag de dag leven we in een wereld die in toenemende mate afhankelijk is van een digitale informatiehuishouding. Is de voorspelde papierloze kantooromgeving dan eindelijk gerealiseerd? Neen, want nog steeds worden kranten en boeken gedrukt en spugen printers en kopieerapparaten grote hoeveelheden papier uit.

Lossen van papierhout in de Buitenhaven van Vlissingen in 1964 door het Noorse vrachtschip Hera, gebouwd in 1962, IMO 5148326 en eigendom van Tinfos Papirfabrik. Zeeuws Archief, 7413.42192.

In de jaren zestig van de vorige eeuw lag dat geheel anders. Papier was toen nog het middel om informatie te verspreiden en bewaren. Dat betekende ook dat een continue aanvoer van de grondstof voor papier moest zijn gegarandeerd. En dat was nu net het probleem.

De Nederlandse papierindustrie was in grote mate afhankelijk van hout aangevoerd uit het buitenland. Met name de Scandinavische landen waren de grootste leveranciers. In 1967 was dat maar liefst 85%. Twee jaar eerder was een rapport uitgebracht waarin men pleitte voor de aanleg van populierenbossen in Nederland. Populieren zijn snelgroeiende loofbomen en het hout hiervan werd afgenomen door de Nederlandse klompenindustrie. Maar wat heeft dit nu met Vlissingen te maken?

Haven voor papierhout

Vanaf 1964 was Vlissingen dé overslagplaats voor wol aangevoerd vanuit Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. In datzelfde jaar ontwikkelde de haven zich ook meer en meer tot een transitohaven voor papierhout. Vanuit Canada en Finland werd dit per schip naar Vlissingen verscheept en hier overgeladen op vrachtauto’s met als bestemming de Gelderse papierfabriek Van Gelder en Zn. te Renkum. [1]

De groei was aanzienlijk, ontving de haven in 1963 vijf schepen geladen met hout, het jaar erop waren dat er 17. Deze ontwikkelingen hadden grote gevolgen voor de ontoereikende havenfaciliteiten. Opslagplaatsen moesten vergroot worden, torenkranen worden aangeschaft etc.

Lossen van papierhout in de Buitenhaven van Vlissingen rond 1965. Zeeuws Archief, 7413.15492.

Voor de (plaatselijke) werkgelegenheid was het goed nieuws. Om een idee te krijgen wat dit voor de vrachtvervoerders betekende: Jaarlijks werden er 50.000 vrachten per wagen verstuurd! De groei leek niet op te houden. Zo arriveerde in de eerste helft van maart 1966 het Finse s.s. Augusta Paulin met meer dan 5.000 ton papierhout, een nieuw record. [2] Het hout kwam overigens niet uit Finland maar uit het Canadese Mulgrave, het eerste schip uit Canada dat jaar.

Het gevolg van dit nieuwe record was wel dat het lossen langer duurde. Gebruikelijker waren ladingen van rond de 3.000 ton. Dat was een gevolg van het feit dat het meeste hout uit Finland kwam en hiervoor kleinere schepen werden ingezet. Daarnaast werd het tijdstip van aanvoer vanuit Finland in sterke mate beïnvloed door het weer; was de Oostzee wel of niet ijsvrij? 

Uitbreiding haven

De continue groei van de aanvoer in de Vlissingse havens kende wel een keerzijde. Kon eerder nog worden volstaan met uitbreiding van de bestaande infrastructuur, langzamerhand werd duidelijk dat dit geen optie (meer) was. In de tweede helft van de jaren zestig kwam Vlissingen-Oost meer en meer in beeld. [3]

Lossen van boomstammen in de Buitenhaven van Vlissingen in 1984. Zeeuws Archief, 7431.50525.

De N.V. Haven van Vlissingen was in hoge mate geïnteresseerd om hier de benodigde kaderuimte te realiseren. De buitenhaven bood slechts ruimte aan twee zeeschepen tegelijkertijd. Vrachtschepen geladen met hout konden eventueel via de sluizen de binnenhavens in maar waren wel gebonden aan een maximale diepgang van rond de 7 meter. Ging het tot dan toe met name om stukgoed, men sloot niet de ogen voor de toekomst. In Vlissingen-Oost moest ook een terminal komen voor de overslag van containers. Dit laatste was een versterking van de positie ten opzichte van de concurrerende Antwerpse havens. 

Ook in de Vlissingse gemeenteraad kwam in februari 1966 het reilen en zeilen van het havenbedrijf aan bod. Raadslid Filius was blij dat het steeds drukker werd, maar vroeg zich wel af hoe het nu verder moest. Duidelijk was dat de zogenaamde Handelskade in de Buitenhaven veel te klein was om het scheepvaartverkeer aan te kunnen.

Een mogelijke oplossing was de aanleg van een kade in Vlissingen-Oost. Maar vooraf wilde hij weten wat er nog mogelijk was in de Buitenhaven. Hij merkte ook op dat alle belanghebbenden zeer te spreken waren over het snelle lossen van de wolschepen.

Ook ten aanzien van de houtschepen heerste tevredenheid, maar toch liep de aanvoer van papierhout terug. Dit kon worden voorkomen door de aanschaf van én een houtgrijper én het kunnen afmeren van twee schepen tegelijkertijd. De burgemeester wist niet waarom er minder papierhout werd aangevoerd. Het was voor het grootste deel bestemd voor Van Gelder en misschien werd een deel via Velsen aangevoerd. Het had niets van doen met het door de gemeente Vlissingen gevoerde beleid.

Wel was er inmiddels naar goed overheidsgebruik een kleine ambtelijke commissie in het leven was geroepen. Deze moest zich maar eens buigen over wat er dan eventueel naar Vlissingen-Oost moest worden doorgeschoven. Dat kon stukgoed zijn, maar ook de verwachte grote(re) passagiersschepen.

Snel lossen en laden

Anderhalf jaar later op 2 juni werd 1967 beweerd dat de aanvoer van papierhout ‘al heel veel jaren een vrij aardige bron van inkomsten is’, sinds korte tijd aangevuld met boomstammen. Dat laatste klopt zeker want op donderdag 27 mei arriveerde het Nederlandse vrachtschip Beninkust in de binnenhaven geladen met 1.450 ton aan boomstammen. [4] Het was een experiment dat, wanneer het slaagde, zou resulteren in jaarlijks tienduizenden tonnen aan hout. Binnen 12 uur was de Beninkust gelost en het experiment dus een succes.

Blijkbaar was men overtuigd geweest van een goede uitkomst, want vrijdag 1 juni meerde de Peperkust met 1.000 ton af. Om een idee te krijgen van het gewicht van de boomstammen, het waren er slechts 184! De zwaarste boom woog 16.000 kilo en de stammen konden tot wel 14 meter lang zijn. Het ging hier om houtsoorten als azobé, dibetou, sipo en iroko. [5] Alles werd overgeladen in lichters met als bestemming Amersfoort en Duitsland. Het derde schip de Guineekust was ook al onderweg.

Lossen hout vanuit de Ocean Wind aan de container terminal in de Quarleshaven, Vlissingen-Oost in 1985. Gebouwd in 1984, eigendom van Biscay Marine Cargo Corporation. Zeeuws Archief, 7413.50466.

De invoer van boomstammen ging in de daaropvolgende jaren gestaag door. Op 23 november 1977 verklaarde de burgemeester desgevraagd nog dat de aanvoer vrij gezond was en dat hij weliswaar niet in de toekomst kon kijken maar geen abrupt einde verwachtte. Sterker nog, eind 1978 breidde men de aanvoer uit, nu met Zuid-Amerikaans hout. Inmiddels werd naast de Buitenhaven nu ook hout gelost in Vlissingen-Oost.

In de jaren tachtig ging men stug door ondanks soms onverwachte problemen. Zo liep op zondagmorgen 19 februari 1984 het Oostduitse vrachtschip Sonneberg vanwege de extreem lage waterstand in de Buitenhaven vast. Sleepboten waren nodig om haar los te trekken en na de Handelskade te slepen. Alsof er niets gebeurd was, begon men met het lossen van haar vracht hout.