Vlissingen stapelhaven voor wol vanaf 1964

Ron van Maanen, senior informatiebeheerder

De Vlissingse haven wordt vanaf 1964 een stapelhaven voor wol uit Argentinië, Australië en Nieuw-Zeeland. Met succes.

De Vlissingse binnen- en buitenhavens en Vlissingen-Oost vormen de laatste jaren het toneel van koortsachtige activiteiten als het gaat om de bouw van windmolenparken. Het is een gaan en komen van crew tenders, sleepboten, kabelleggers etc.

Crewtenders op weg naar het windmolenpark Borssele in de sluis te Vlissingen, 27 maart 2020. Foto: Ron van Maanen.

In de Vlissingse havens zijn allerlei talen te horen, Duits, Russisch en natuurlijk Engels. Nederlands is al lang niet meer de voertaal. Dat geeft soms ludieke situaties waarbij een enkel Engels woord zorgt dat iets gebeurt terwijl beide partijen elkaar verder niet verstaan.

Hey Sir!

Fietsend door de haven met camera om de nek zie ik een Duits bergingsschip binnenkomen. “Hey Sir!”, klinkt het. Ik kijk omhoog en zie een matroos op de boeg staan met een keesje in de rechterhand en naar links wijzend. [1] Zonder verdere woorden begrijpen wij elkaar. Ik gooi de fiets aan de kant en vang het keesje op. Aan het keesje zit de zware afmeertros vast. Met enige inspanning trek ik het de wal op leg het rondom een bolder. Een tweede tros volgt en het schip kan afmeren. Op het achterschip wordt de hand opgestoken en ik hoor “thank you sir”. Een ieder vervolgt zijn weg. Zou dit in de 60’er jaren zich ook zo hebben afgespeeld?

Plannen voor wol

Ook in het verleden kon het erg druk zijn in de Vlissingse havens. De foto’s die wij daarvan hebben vormen het bewijs. Zo werd Vlissingen een stapelhaven voor wol afkomstig uit Argentinië, Australië en Nieuw-Zeeland. Dit heeft Vlissingen te danken aan de Amsterdamse N.V. Wolmaatschappij Hart die in 1963 in Vlissingen-Oost een wolwasserij en kammerij wilde oprichten. Als experiment werd daarom wol in de Vlissingse haven aangevoerd en met succes.

De wolwasserij kwam er echter niet maar de stapelhaven voor wol wel. De toenmalige onderdirecteur van Vlissingse haven C. Oreel en J.C. Jaspers van de Amsterdamse maatschappij hadden alle moeite gedaan om dit te realiseren. Op 6 maart 1964 werd bepaald dat men rond 15 maart in bedrijf moest zijn.

Het Nederlandse schip Tero bij het bunkerstation van de Steenkolen Handelsvereniging (SHV) in de Vlissingse Buitenhaven. Zeeuws Archief, 7413.20061.

De bedoeling was de wol slechts even in Vlissingen op te slaan. De wol werd via vrachtwagen en/of spoor naar bestemmingen in Europa verstuurd. Het was een gunstig tijdstip voor de havens die nog niet geheel hersteld waren van de tijdens de Tweede Wereldoorlog opgelopen schade. Zo werd noodgedwongen besloten tot de aanschaf van nieuwe kranen en vorkheftrucks wat het laden en lossen alleen maar ten goede kwam.

De eerste wol laat op zich wachten

Vrijdagavond 21 maart 1964 was het dan zover als het Nederlandse m.s. Tero Vlissingen binnenvaart, zij het zeven uur te laat. [2] Een mistbank was de oorzaak. Het betekende wel dat een groot gezelschap genodigden uren moest wachten op haar aankomst.

Lossen van het Nederlandse vrachtschip Lekhaven geladen met Argentijnse wol, augustus 1964. Zeeuws Archief, 7424.1104.

De volgende dag begon om half acht het lossen van haar lading wol afkomstig uit Argentinië. Om 4 uur vertrok het schip alweer. In een rap tempo arriveerden vrachtschepen met Argentijnse wol. Vrijdag 31 juli meerde het Nederlandse schip Lekhaven geladen met circa 200 ton wol af, het zesde schip op rij. [3]

Eind oktober werd met het Nederlandse schip Seine Lloyd voor het eerst vanuit Nieuw Zeeland wol aangevoerd.(4) Vervolgens is het dan wachten op de Australische wol. In de nacht van 21 op 22 december is het dan zover. In de buitenhaven arriveerde het Nederlandse m.s. Oldekerk met een lading van meer dan 1.400 balen wol rechtstreeks vanuit Australië. [4]

Steeds meer wol

In 1965 arriveerden al 61 wolschepen. De wol werd opgeslagen in twee hangars waarin maar liefst ruimte was voor 60.000 balen. De aanvoer groeide rap van 15.000 ton in 1965 naar 40.000 het jaar daarop. Het succes gaf aanleiding om ook in Vlissingen-Oost maatregelen te treffen om wol te kunnen lossen. (Alleen zou dat een containerterminal worden. Op 31 mei 1971 wordt daar al de eerste wol aangevoerd.)

Uitbreiding haven

Ook in de Vlissingse politiek was het reilen en zeilen van de havens geregeld onderwerp van gesprek.

Lossen van het Nieuw-Zeelandse vrachtschip Waipawa in 1964. Zeeuws Archief, 7413.46957.

Tijdens de behandeling van de gemeentebegroting in februari 1965 werd door Van Leeuwen erop gewezen dat de buitenhaven eigenlijk best wel klein was. Er konden maar 2 middelgrote schepen tegelijk afmeren en dat was een ongewenste situatie. Burgemeester Kolff beaamde dit en verwees naar de het toenemend aantal wolschepen afkomstig uit Zuid-Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. Hij was echter geen voorstander van de aanschaf van drijvende kranen etc. om het lossen te vergemakkelijken. Een meer definitieve oplossing werd door hem in uitbreiding van de havenfaciliteiten Vlissingen-Oost gezocht. Iets wat inderdaad gebeurde.

Het lossen van een schip in Vlissingen, 1967. Zeeuws Archief, 7413.15494.