Weeshuizen in Middelburg

Welke bronnen zijn er over de zorg voor wezen in Middelburg in de 19e en de 20e eeuw? We geven eerst een overzicht van de geschiedenis van de opvang van wezen in Middelburg, te beginnen met de ‘Armenwezen’ gevolgd door de ‘Burgerwezen’. Vervolgens komen de archiefstukken aan de orde, waarin de wezenadministratie is terug te vinden.

[hier kort uitleggen verschil armen- en burgerwezen]

Armenwezen

Na de opheffing van het Armweeshuis aan het Noordpoortplein te Middelburg in 1812 werden de nog aanwezige armenwezen zoveel mogelijk geplaatst bij particulieren. Het in 1815 aangetreden College van regenten over de Godshuizen koos echter voor een andere oplossing: de wezen werden geplaatst op het instituut van G.J. ter Hoeven te Feijenoord bij Rotterdam. Na de opheffing van dit instituut in 1819 werden de wezen opnieuw bij particulieren ondergebracht, maar nu verdeeld per kerkgenootschap.

Rooms-katholieke wezen

De rooms-katholieke wezen werden vanaf 1819 geplaatst in een ‘bestedingshuis’ naast de Rooms-Katholieke kerk op de Blauwedijk te Middelburg. De leiding was in handen van J.J. van Dun, vanaf 1823 bij A. Beertens en tenslotte vanaf 1829 bij J. Spoormans. Hier verbleven de wezen tot het einde van 1847, toen de Rooms-Katholieke Gemeente de kerk verliet en voor afbraak verkocht.

De rooms-katholieke wezen werden overgebracht naar het voormalige Simpelhuis op de Herengracht, waar zij tot november 1848 verbleven. Daarna werd dit gebouw aangewezen tot cholera-hospitaal. De wezen verhuisden naar het lokaal van de voormalige glasblazerij aan het Molenwater. De verpleging buiten het gesticht bracht echter zoveel extra kosten met zich mee dat alle armenwezen, dus ook de rooms-katholieke wezen, vanaf 1 juli 1854 in het Werkhuis aan het Noordpoortplein verpleegd werden.

Niet-katholieke wezen

De niet-katholieke armenwezen werden na hun terugkeer uit Feijenoord in 1819 aanvankelijk geplaatst bij particulieren:

  • bij de heer P. Pous op de hofstede Ter Meede onder Serooskerke op Walcheren, tot 1841

of bij:

  • andere particulieren, tot 1825.

Vanaf 1825 konden de wezen naar de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid worden gestuurd. Dit gebeurde totdat in 1844 de verplichting om naar genoemde koloniën te gaan, werd opgeheven bij Koninklijk besluit (no. 74) van 30 oktober van dat jaar. Kinderen die maar weinig tot hun onderhoud konden bijdragen werden sindsdien bijna altijd opgenomen in het Werkhuis.

Nieuw weeshuis vanaf 1859

In 1859 werd een nieuw Armweeshuis geopend op de Herengracht te Middelburg. Hierin werden opgenomen:

  • rooms-katholieke wezen
  • hervormde wezen
  • tijdelijke wezen of verlaten kinderen. Dit waren kinderen van wie een van de ouders tijdelijk afwezig was vanwege bijvoorbeeld een verblijf in het buitenland, een zeereis, gevangenschap of verpleging in een gesticht.

Arm- en Burgerweeshuis samen vanaf 1909

Op 28 april 1908 stelde de voorzitter van het bestuur der Godshuizen een combinatie van het Arm- en Burgerweeshuis voor. Argumenten voor deze samenvoeging waren:

  • een afnemend aantal wezen, omdat particuliere instellingen steeds meer de verpleging van wezen op zich namen
  • een niet meer bestaand onderscheid tussen burger- en armenwezen
  • vereenvoudiging van beheer en een forse bezuiniging

In 1907 waren 30 wezen opgenomen in het Armweeshuis en 7 in het Burgerweeshuis, terwijl laatstgenoemd gesticht ruimte bood aan 96 wezen. Het cijfer van het Burgerweeshuis was zo laag vanwege de strenge toelatingseisen. Onder andere de Hervormde Gemeente te Middelburg protesteerde tegen een schending van de bepalingen voor opname in het Burgerweeshuis, namelijk tegen opheffing van het specifieke hervormde karakter van dit gesticht. Toch ging de samenvoeging door en op 18 augustus 1909 werden de kinderen uit het Armweeshuis overgebracht naar het Burgerweeshuis.

Burgerwezen

Het Burgerweeshuis te Middelburg was in 1719 opgericht op aandrang van de gegoede burgerij, die eventueel na te laten kinderen gescheiden van armenwezen en vreemdelingen wilde laten opvoeden. De belangrijkste voorwaarden voor toelating waren bij de oprichting:

  • de vader of de moeder van de wees moet in Middelburg geboren zijn, of het burgerrecht hebben gekocht, en minstens 7 jaar aaneen in deze stad hebben gewoond
  • de vader of de moeder van de wees moeten lidmaat zijn geweest van een Nederduits-gereformeerde gemeente; het kerkgenootschap was niet van belang
  • de wees moet zijn geboren uit een wettig huwelijk
  • de ouders van de wees mogen nooit:
    • bedeling hebben genoten van het armbestuur
    • nooit een onterende straf hebben ondergaan
    • nooit bankroet zijn gegaan
  • de wees moet minstens 25 ponden Vlaams inbrengen

De prefect van het Departement van de Monden van de Schelde bepaalde bij besluit van 11 augustus 1812 dat één weeshuis voor Middelburg voldoende was. Het gevolg was dat het Armweeshuis aan het Noordpoortplein te Middelburg op 3 november 1812 werd gesloten. Veel armenwezen werden ontslagen of geplaatst bij particulieren, zie hierboven.

Gesticht no. 3

Armwezen die niet besteed konden worden werden overgebracht naar het voormalige Burgerweeshuis, met de nieuwe naam Gesticht no.3. Overigens had de commissie belast met de reorganisatie van de weeshuizen voorgesteld om zoveel mogelijk alleen die wezen op te nemen voor wie het Burgerweeshuis oorspronkelijk was bestemd.

De toelatingseisen ondergingen veranderingen.

  • De bepaling over het kerkgenootschap werd gewijzigd: de langstlevende van de beide ouders moest lid zijn geweest van een hervormde gemeente. De wijziging gebeurde bij resolutie van Burgemeester en wethouders van 10 november 1825 en bij besluit van de Raad van de gemeente Middelburg van 2 januari 1828.
  • In 1880 werden de eisen verscherpt: ook de kinderen moesten voortaan behoren tot het Nederduits-hervormd kerkgenootschap. Dat werd vastgesteld in de verordening op de inrichting en het bestuur der Godshuizen. De wezen konden worden opgenomen vanaf 4 jaar, maximaal voor een periode tot de eerste van de maand mei of november van het jaar waarin ze 21 jaar werden.

De toelatingseisen konden niet meer gehandhaafd worden toen aan het begin van 20e eeuw het aantal wezen afnam. In 1909 werden het Armweeshuis en het Burgerweeshuis samengevoegd. Door verder afname van het aantal wezen was ook de opheffing van het Burgerlijk weeshuis onvermijdelijk. In 1923 waren er nog 28 wezen opgenomen, op 1 januari 1929 nog 5, terwijl 6 wezen elders waren ondergebracht. Datzelfde jaar werd het gesticht buiten gebruik gesteld, de 5 overgebleven wezen kregen elders onderdak.

Archief Godshuizen 1811-1948

Raadpleeg online de inventaris van het Archief Godshuizen 1811-1848.

www.archieven.nl

Bronnen

Welke bronnen over de administratie van de wezen zijn bewaard gebleven?

Stamboeken

De kern van de wezenadministratie wordt gevormd door de stamboeken. Deze bevatten de volgende gegevens:

  • naam en gegevens over de geboorte
  • namen van de ouders
  • leeftijd bij inschrijving
  • datum opname in weeshuis
  • opdrachtgever: armbesturen
  • plaatsing: bij weeshuis of particulieren
  • bestedingsbedrag: voor hoeveel besteed
  • bedrijf/ambacht/kostwinning
  • wijze van ontslag

De stamboeken bevinden zich in het Archief Godshuizen 1811-1948 en kunnen worden geraadpleegd in de studiezaal van het Zeeuws Archief te Middelburg. De volgende stamboeken zijn aanwezig:

  • Stamboeken van de wezen, 1818-1926 – inventarisnummers 1215-1216, 1062, 1064-1066
  • Stamboeken van de rooms-katholieke wezen, 1852-1904 – inventarisnummers 1068-1069
  • Stamboeken van de armenwezen, 1859-1905 – inventarisnummers 1070-1071
  • Stamboek van de verlaten kinderen opgenomen in Gesticht no.4 Werkhuis, later Gesticht no.2 Armweeshuis, 1853-1906 – inventarisnummers 1072-1073
  • Stamboek van de verlaten kinderen, ingekomen (1853) 1856-1912 (1922) – inventarisnummers 1074
  • Kaarten van de opgenomen wezen en verlaten kinderen, 1912-1923, deze bevatten dezelfde gegevens als in het stamboek met uitzondering van de vertrekdatum – inventarisnummer 1078
  • Register van de wezen opgenomen in het Burgerweeshuis, 1910-1926 (1829). Dit register geeft per kind: stamboeknummer, naam, leeftijd, geboortegegevens, godsdienst, namen ouders, datum binnenkomst en vertrek, opdrachtgever plaatsing, eventueel een opmerking over gedrag of bestemming na ontslag – inventarisnummer 820

Naamlijsten

Naast de stamboeken zijn er naamlijsten van wezen per categorie:

  • Naamlijsten personen opgenomen in het Armweeshuis (vanaf 1907 tevens in het Burgerweeshuis). Deze lijsten bevatten stamboeknummer, naam, datum binnenkomst en datum ontslag of overlijden – inventarisnummers 767-768
  • Naamlijst van de burgerwezen, periode 1826-1899. Deze lijsten bevatten: naam, geboortegegevens, namen ouders en hun beroep, leeftijd en datum inschrijving, opdrachtgever, gegevens plaatsing (weeshuis of bij particulier), bedrag besteding, beroep en door wie men wordt begeleid, wijze ontslag en ontslag- of overlijdensdatum, opmerkingen, stamboeknummer – inventarisnummers 817-818
  • Naamlijsten opgenomen wezen voor rekening van Burgerlijk armbestuur, Burgerweeshuis en particulieren, periode 1852-1926. Deze lijsten bevatten: volgnummer, stamboeknummer, naam wees, datum binnenkomst en datum vertrek of overlijden – inventarisnummer 819

Administratie wezengoederen

Van elke wees werd nauwkeurig bijgehouden wat hij of zij bij opname aan bezittingen meebracht en hoe dit veranderde. Informatie over de administratie van de wezengoederen is te vinden in:

  • de wezenrekeningcourant-boeken met bijlagen – inventarisnummers 1092-1098
  • de afgesloten rekeningen-courant met de wezen – inventarisnummers 1099-1138

Over de verstrekte kleding en voeding aan wezen is informatie te vinden in de inventarisnummers 848-867, 874-877, 1225-1231.

Over het beheer over de door de wezen aan de binnenvader afgegeven gouden, zilveren en overige voorwerpen, periode 1848-1906 – inventarisnummer 1133

Literatuur

Lees voor uitgebreide informatie over de Middelburgse wezenzorg in de 19e eeuw, J.L. Kool-Blokland, De zorg gewogen, zeven eeuwen Godshuizen in Middelburg (Middelburg 1990), met name deel II B: Van uitbesteding tot opheffing (1812-1929) p.501-584.