Landbouw

In Zeeland waren er vier belangrijke sectoren waarin jouw voorouders werkzaam konden zijn: landbouw, visserij, handel en nijverheid. Velen in Zeeland verdienden de kost in de landbouw, gedurende vele eeuwen de belangrijkste bestaansbron in de provincie.

Rond 1800 werkte 2/3 van de beroepsbevolking op het Zeeuwse platteland in de agrarische sector.

Akkerbouw

Bijna overal in Zeeland waren de boerenbedrijven gespecialiseerd in de akkerbouw. Alleen in delen van Schouwen-Duiveland en Walcheren overheerste de veehouderij.

Op de Zeeuwse akkerbouwbedrijven werden vooral granen en peulvruchten verbouwd. Daarnaast teelden Zeeuwse boeren ook handelsgewassen zoals koolzaad en vlas. Op de Zeeuwse eilanden werd ook veel meekrap verbouwd, een gewas waaruit een rode kleurstof voor de textielindustrie werd gewonnen.

In Zeeuws-Vlaanderen, vooral in het westelijk deel, was de teelt van tarwe zeer belangrijk. De boeren in de nieuwe polders hadden een grotere bedrijfsoppervlak tot hun beschikking dan de boeren in het zogenaamde oude land: de middeleeuwse polders.

Bemesting

De Zeeuwse boeren hielden zich voornamelijk bezig met de akkerbouw, maar ze konden toch niet zonder vee. Voor de invoering van de kunstmest in de vorige eeuw was dierlijke mest vrijwel de enige vorm van bemesting die men kende. Iedere boer hield daarom een aantal runderen dat voor de benodigde mest zorgde. Bovendien leverde de verkoop van vlees en boter nog extra inkomsten op. De inkomsten uit de verkoop van zuivel waren vooral voor de boerin interessant, omdat in Zeeland de boerinnen die inkomsten niet in de kas van het bedrijf stortten, maar naar eigen goeddunken konden besteden.

Landarbeiders

Omdat akkerbouw een intensieve vorm van landbouw was, moesten de boeren een beroep doen op arbeidskrachten buiten het gezin, inwonende dienstboden en uitwonende (land)arbeiders. Vooral in de oogsttijd kon de behoefte aan arbeidskrachten zeer groot zijn.

Landarbeiders vormden een grote groep, waarbinnen aanzienlijke verschillen bestonden. Sommige landarbeiders hadden een eigen boerderijtje met wat land en een of twee koeien. Ze werkten een deel van het jaar op hun eigen bedrijfje en een deel bij een boer. Andere arbeiders bezaten vrijwel niets en woonden in een huurhuisje dat eigendom was van hun werkgever

In de 19e eeuw vonden er belangrijke ontwikkelingen plaats. De overheid ging zich meer met de landbouw bemoeien. Er werd een Commissie van Landbouw opgericht, die belast werd met het stimuleren van de landbouw. In Zeeland functioneerde deze organisatie van 1805 tot en met 1851.

Commissie van Landbouw

Bekijk de inventaris van de Commissie van Landbouw in Zeeland.

www.archieven.nl

Veel landarbeiders leden in die tijd grote armoede. Hun leefomstandigheden waren slecht en velen kampten met hun gezondheid. Veel kinderen stierven jong. In de winter van 1845-1846 ontstond een ernstige hongersnood, doordat de aardappelen, het belangrijkste voedsel uit die tijd, wegrotten door een toen nog onbekende schimmel.

Na 1850 traden er verbeteringen op in de landbouw. Er werden steeds meer ploegen en eggen gebruikt die helemaal uit ijzer bestonden en er kwamen zelfs zaai- en dorsmachines. Het was het begin van een ontwikkeling die uiteindelijk tot de komst van de tractor, de maaidorser en de melkmachine zou leiden.

De oprichting van de Zeeuwse Landbouwmaatschappij (ZLM) in 1843 stimuleerde het landbouwbeleid in de provincie. Boeren bespraken het regeringsbeleid en er werden regelmatig tentoonstellingen gehouden waar nieuwe zaaizaden, ploegen of vruchtbare stieren waren te zien. Later volgden de oprichting van de rooms katholieke Noord-Brabantse Christelijk Boerenbond (NCB) in 1896 en Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB) in 1918.

Boeren gingen zich organiseren in coöperaties. In 1878 werd in Aardenburg de eerste coöperatie van Nederland opgericht onder de naam ‘Welbegrepen Eigenbelang’. Het doel van dit samenwerkingsverband was de gezamenlijke aankoop van zaaizaad en kunstmest. Dit initiatief werd spoedig in veel Zeeuwse dorpen nagevolgd.

Door de verdergaande mechanisatie, maar ook door de lagere graanprijs als gevolg van de toevloed van buitenlands graan, nam de werkgelegenheid in de landbouw sterk af. Omstreeks 1900 gingen de boeren steeds meer kunstmest gebruiken. De behoefte aan een grote veestapel nam hierdoor af.

In de 20e eeuw vond er een flinke schaalvergroting plaats van de landbouwbedrijven. Vooral na de Tweede Wereldoorlog en de Watersnoodramp van 1953 vonden omvangrijke herverkavelingen plaats, met als gevolg steeds grotere bedrijven.

Over de bedrijfsvoering van de boeren in de 17e en 18e eeuw is er in de overheidsarchieven niet veel te vinden. Een belangrijke bron om meer te weten te komen over het bedrijfskapitaal van de individuele boer zijn de boedelinventarissen. De beschrijving van de nalatenschap van een boer of boerin levert vaak een zeer gedetailleerde momentopname op van het bedrijf van de overledene. De bedrijfsgebouwen, de werktuigen en de veestapel zijn daarin beschreven.

Inwonerslijsten en belastingkohieren die in de 18e eeuw zijn opgemaakt geven inzicht wie er werkzaam was als landbouwer. Daarnaast geven ook de overlopers informatie over wie welke boerderij en bijbehorende landerijen in bezit had.

In het archief van het Provinciaal Bestuur van Zeeland en de archieven van de gemeenten zijn gegevens over de landbouw te vinden, terwijl in het archief van de Commissie van Landbouw (1805-1851) ook gegevens zijn opgenomen betreffende individuele boeren, soms verborgen in de bijlagen.

In de 19e-eeuwse bevolkingsregisters en registers van de burgerlijke stand vinden we de boerenbevolking aangeduid met diverse benamingen: bouwman, landman of landbouwer. De term ‘landman’ kan zowel op een zelfstandige boer betrekking hebben als op een landarbeider. Deze werden op hun beurt meestal aangeduid als dagloners en boerenknechten.

Landbouworganisaties en coöperaties

In het Zeeuws Archief berusten de archieven van het hoofdbestuur van de Zeeuwse Landbouw Maatschappij (ZLM), alle negen regionale kringen en een groot aantal lokale afdelingen uit alle delen van Zeeland. Enkele archieven van ZLM-afdelingen berusten bij de gemeentearchieven Schouwen-Duiveland en Tholen. Zoek je gegevens over landbouwers die waren aangesloten bij de ZLM dan kun je het beste de stukken betreffende de ledenadministratie raadplegen, te vinden zowel in het archief van het hoofdbestuur en de kringen, als in de afdelingsarchieven. Ledenlijsten over de periode 1877-1924 van kringen en afdelingen kun je ook vinden in de gedrukte Almanak, jaarboekje uitgegeven door de Maatschappij tot Bevordering van de Landbouw en Veeteelt in Zeeland.

Veel landbouworganisaties richtten in het verleden aparte afdelingen op voor de jongere landbouwers. Er zijn nog enkele archieven van dergelijke organisaties terechtgekomen bij archiefdiensten. Zo heeft het Zeeuws Archief de archieven van West-Zeeuws-Vlaamse afdelingen van de Landbouw Jongeren Gemeenschap (LJG), de Zeeuwse Plattelandsmeisjes (ZPM), later Plattelands Jongeren Zuid (PJZ) over de periode 1945-1979. Deze organisaties waren gelieerd aan de ZLM. Ook de CBTB kende jongerenorganisaties. Enkele archieven daarvan berusten in het Zeeuws Archief: afdelingen op Walcheren van Christelijke Jonge Boeren  en Tuindersbond (CJBT), later de Christelijke Plattelands Jongeren (CPJ), 1936-1969.

Bij de gemeentelijke archiefdiensten in Zeeland, maar ook bij het Zeeuws Archief bevinden zich veel kleine archieven van coöperatieve aan- en verkoopverenigingen van landbouwers. Sommige van dergelijke verenigingen werden overgenomen door de grotere landelijke coöperatieve landbouwverenigingen. Anderen veranderden van aan  en verkoopvereniging in een belangenorganisatie en sloten zich aan bij de ZLM, de CBTB of de NCB. Als jouw voorouders landbouwer in Zeeland waren is de kans groot dat ze in de ledenadministratie van deze organisaties voorkomen.

Landbouw- en tuinbouwbedrijven

Bij de archiefdiensten in Zeeland komen we aardig wat archieven van landbouw  en tuinbouwbedrijven tegen. Vaak kleine, zoals Ravensoord in het gemeentearchief Tholen of middelgrote, zoals Van Langeraad te Kamperland in het Zeeuws Archief, maar een enkele keer een hele grote. Een voorbeeld van die laatste categorie is het archief van de Koninklijke Maatschap De Wilhelminapolder, opgericht in 1808, tot voor kort nog het grootste landbouwbedrijf van Nederland. Het archief berust in het Zeeuws Archief.

Koninklijke Maatschap De Wilhelminapolder

Bekijk de inventaris van het archief van de Koninklijke Maatschap De Wilhelminapolder.

www.archieven.nl

Bij de Zeeuwse archiefdiensten berusten ook veel archiefstukken over landbouwbedrijven in de zogenaamde handschriften- of aanwinstenverzamelingen. Gegevens over boerderijen, vaak hofsteden genoemd, en hun bewoners komt men tegen in de publicaties van P.J. van Cruyningen, J. de Hullu, W.E.P. van IJsseldijk en in de uitgaven van de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen over hofsteden aldaar.

In het Zeeuws Archief berust verder de verzameling documentatie boerderijenonderzoek Walcheren, met gegevens over boerderijen van de 16e tot en met de 20e eeuw.

Als je informatie zoekt over tuinders in Zeeland kom je terecht bij de archieven van tuinbouwveilingen. Alle archieven van veilingen die ooit hebben bestaan op Walcheren, Zuid-Beveland en in Zeeuws-Vlaanderen en het archief van de provinciale veilingorganisatie berusten in het Zeeuws Archief.

In het gemeentearchief Tholen is informatie over vroegere veilingen op het eiland Tholen te vinden.

Gegevens over de tuinbouw in Zeeland tref je in het Zeeuws Archief ook in de archieven van de rijkstuinbouwconsulenten en verenigingen van oud-leerlingen van tuinbouwwintercursussen. Voor veeteelt raadpleeg je de archieven van de rijkslandbouw- en veeteeltconsulenten alsmede verenigingen op het gebied van rundvee, pluimveeteelt en geitenfokkerij.

Namen van landbouwers die suikerbieten teelden tref je aan in het archief van de Eerste Nederlandsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek te Sas van Gent, eveneens aanwezig in het Zeeuws Archief.

Hoe over het helpen van landarbeiders werd gedacht kun je meer vinden in de archieven van verenigingen ter bevordering van de verkrijging van onroerend goed door landarbeiders, aanwezig in het Zeeuws Archief en bij enkele gemeentearchieven in Zeeland.

Literatuur

  • P. Priester, Geschiedenis van de Zeeuwse landbouw, circa 1600-1910. A.A.G. Bijdragen 37 (Wageningen 1998)
  • P. Priester, ‘Twintig eeuwen Zeeuwen en hun boeren’, in: Ach Lieve Tijd Zeeland 18.