Collaterale successie

Vanaf 1599 bestaat er een belasting op de vererving van boedels: de belasting op de ‘successie’. Wanneer zo’n boedel via de zijlinie vererfde, dan werd de overledene een collateraal subject genoemd. De collaterale heffing is een belangrijke bron voor onderzoek naar de bezittingen van je voorouders.

Vanaf 1599 heeft er een belasting op vererfde boedels bestaan: de belasting op de ‘successie’ of erfenis oftewel ‘successierecht’. Tot en met 1806 betrof dit een gewestelijke belasting, vanaf 1807 was het een rijksbelasting. De successierechten werden tijdens de Republiek geïnd door de ontvangers van de collaterale successie. Hun rekeningen werden gecontroleerd door de Rekenkamer. Exemplaren van de rekening en de bijbehorende bijlagen zijn in het archief van de Rekenkamer bewaard gebleven.

Belastingplichtig waren diegenen die zijdelings verwant waren aan de erflater én in Zeeland gelegen onroerende goederen bij of zonder testament erfden. Ook verervingen aan niet-familieleden werden belast.

Onder ‘onroerende goederen’ vallen: huizen, grond, lenen en eigen ambachten, tienden, molens, erfpachten, erfcijnsen, los- en lijfrenten, paaibrieven en jaarpenningbrieven.

De belasting werd geheven over de zuivere waarde van de nalatenschap. De goederen werden getaxeerd door het gerecht van de plaats waaronder de boedel gelegen was. Van de waarde van de nalatenschap werden de (hypothecaire) schulden waarmee de boedel was belast, afgetrokken.

Vrijgesteld van deze belasting waren:

  • de godshuizen en de ‘armen van de aalmoezen levende’
  • echtparen met kinderen, die elkaar bij lijftocht (levenslang vruchtgebruik) hun goederen hadden vermaakt.

Ook waren er constructies waarbij vader of moeder testamentair bij overlijden van de partner boedelhouder waren gemaakt om de goederen te beheren totdat de kinderen meerderjarig waren. Indien één van de kinderen stierf voordat hij in het bezit van die goederen kwam, ging zijn erfdeel over op de broers en zussen. Bij zulke verervingen hoefden zij aanvankelijk niet te betalen, maar dat veranderde in 1625.

Erfenissen moesten binnen 3 weken aangegeven worden op de secretarie van de plaats waar de erflater was overleden of het laatst gewoond had. Deze aangiftetermijn werd meerdere malen gewijzigd; naar 6 weken in 1616, één jaar in 1641, en naar 3 maanden in 1723.  Een erfenis buiten Zeeland moest binnen 6 maanden bekend gemaakt zijn. Wie dit niet deed, was het dubbele bedrag aan belasting verschuldigd.

De goederen mochten pas aanvaard worden als een betalingsbewijs van de 40e penning overlegd kon worden. Gebeurde dit niet dan kreeg men een boete van 200 ponden Vlaams en moest men de dubbele impost betalen. De secretarissen moesten van de aangifte en de taxatie van de goederen een register bijhouden en een authentiek extract daarvan afgeven aan de collecteurs.

Belastingverhogingen

De belasting op collaterale successie werd door de Staten van Zeeland regelmatig verhoogd of uitgebreid.

  • Een belastingverhoging volgde twee jaar nadat het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) was afgelopen.
  • Vanaf 1637 werd de belasting ook geheven over roerende goederen en over de goederen die buiten Zeeland gelegen waren.
  • Vanaf 1642 werd de hoogte van de belasting voor erfenissen die bij testament nagelaten waren, verhoogd naar de 20e penning (5%).
  • Vanaf 1648 gingen diegenen die bij testament meer erfden dan hun zonder testament zou toekomen, over het meerdere de 20e penning betalen.
  • In 1662 werd de groep belastingplichtigen uitgebreid met Zeeuwse werknemers overzee. Als iemand uit Zeeland overleed in dienst van de VOC of de WIC overleed in Oost- of West-Indië, dan dienden de erfgenamen de belasting te betalen in de laatste Zeeuwse woonplaats van de overledene.
  • In 1675 ging hetzelfde gelden voor mensen die naar Suriname waren vertrokken en aldaar overleden.
  • Vermoedelijk als gevolg van de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) werd de belasting in 1665 verhoogd over erfenissen die zonder testament verkregen waren, naar 5% en over erfenissen bij testament verkregen naar 6 2/3% (15e penning) . Bovendien werd de belasting uitgebreid tot de nalatenschappen in de opgaande lijn.
  • Vanaf 1671 werden ook ‘giften tijdens het leven’ belastbaar. De giften die meer dan 50 ponden Vlaams bedroegen, werden belast met de 15e penning. Ook werd vastgesteld dat als de overledene goederen had bezeten in een ander gewest, hierover de in dat gebied geldende belasting betaald moest worden.
  • In 1684 werd de belasting ook in het Committimus, Zeeuws-Vlaanderen, ingevoerd.
  • Vanaf 1730 dienden voortaan over alle erfenissen uit krachte van testament de 10e penning (10%) worden betaald, behalve waar ouders van kinderen, man van vrouw of vrouw van man bij testament werden begunstigd.
  • In 1759 volgde de laatste wijziging van het tarief. De Staten bepaalden dat broers en zussen en hun kinderen of kleinkinderen die zonder testament van ooms, tantes, oud-ooms of oud-tantes erfden, de 20e penning moesten betalen. Diegenen die in verdere zijlinie zonder testament erfden, moesten de 15e penning betalen.

Belastingontwijking

Om de belasting te ontwijken, gingen mensen contracten opstellen waarbij zij (een gedeelte van) hun boedel, bij leven, aan een ander afstonden onder de voorwaarde dat de verkrijger hen tot hun dood moest onderhouden of een jaarlijkse lijfrente moest uitkeren. Om deze gang van zaken aan banden te leggen, besloten de Zeeuwse Staten in 1695 dat na de afstand van de boedel de collaterale successie moest worden betaald die de verkrijger na de dood van de gever verschuldigd zou zijn.

Boedelbeschrijvingen

In principe komen in de rekeningen alleen gegevens voor over personen van wie de boedel in de zijlinie vererfde; broers en of zussen, ooms en tantes. De overledene over wiens erfenis belasting moest worden betaald werd een collateraal subject genoemd. De bijlagen kunnen in zo’n geval complete boedelbeschrijvingen bevatten.

Doodgraverslijsten met begraven lijken

Toch bevatten de bijlagen gegevens die voor alle stamboomonderzoekers interessant zijn. Over gelden die vermaakt werden bij testament moest ook worden betaald. Om vast te kunnen stellen welke boedels wel of niet belastingplichtig waren, hadden de ontvangers overzichten nodig van alle ter plaatse overledenen. Hiertoe maakten de doodgravers maandelijks lijsten op van de begraven lijken. Van de op zee overledenen deden de handelscompagnieën, de VOC, WIC en Middelburgse Commercie Compagnie, opgave.

Voor een groot aantal jaren bestaat er dus een alternatief voor de vele verloren gegane begraafregisters. Deze begraaflijsten zijn in fotokopie opgenomen in de Genealogische Afschriften. Een gedetailleerde opgave per plaats is te vinden in het overzicht van deze verzameling (GIDS 3, rubriek ‘collaterale subjecten’).

Zoeken in Zeeuwen Gezocht

In Zeeuwen Gezocht, de personendatabase van het Zeeuws Archief, zijn de collaterale subjecten opgenomen uit de begraaflijsten van:

  • Middelburg en Middelburg Ambacht, periode 1696-1806
  • Vlissingen, periode 1716-1792
deze versie voor verwijzing naar Zeeuwen Gezocht

Collaterale subjecten

Zoek direct naar collaterale subjecten in Zeeuwen Gezocht, de personendatabase van het Zeeuws Archief.

www.zeeuwengezocht.nl