Familie Mathias in olieverf en in archiefstukken

Een familieportret op groot formaat verbeeldt zowel het gelukkige huwelijk van twee echtelieden als de zakelijk geslaagde verbintenis. Ook houdt het familieportret een belofte in. Voor de zoon is een goede toekomst weggelegd. Die toekomst lag in Zeeland.

De stadhuiscollectie van de gemeente Middelburg is medio 2026 uitgebreid met het in langdurig bruikleen van een zeventiende-eeuws familieportret. Het grote doek, geschilderd door Jürgen Ovens in 1661, hangt in de voorzaal van het oude stadhuis aan de Markt in Middelburg. Het Zeeuws Archief beheert de stadhuiscollectie en reconstrueerde met archiefstukken het verhaal achter het portret.

Familieportret van Hendrick Mathias (1609-1676) en Maria Timmerman en hun kinderen in 1661. Jürgen Ovens (1623-1678), olieverf op doek, 170 x 208 cm, gesigneerd en gedateerd: J. Ovens 1661. Zeeuws Archief, Stadhuiscollectie Middelburg.

Het schilderij toont het gezin van Hendrick Mathias (1609-1676) en Maria Timmerman. Hij houdt de hand van zijn vrouw vast, terwijl zij op haar beurt de hand van hun zoon vasthoudt.

De zoon, de stamhouder, wijst met zijn andere hand omhoog, naar de engelen boven zijn hoofd. Zij dragen bloemenkransen, verwijzend naar zijn toekomst: de jongen zal faam gaan vergaren.

Ook voor de oudste dochter is een mooie toekomst weggelegd, zo maakt de vader duidelijk. Hij kijkt zijn dochter aan, terwijl hij gebaart naar haar moeder.

De ineengevouwen handen van het echtpaar verbeelden de gelukkige verbintenis tussen twee families, niet in de laatste plaats in zakelijk opzicht.

Kunstschilder Jürgen Ovens signeerde het schilderij en dateerde het 1661.

Kunstenaar Jürgen Ovens

Jürgen Ovens (1623-1678) kwam uit de havenstad Tönning in Schleswig-Holstein, Duitsland. Hij werkte beurtelings in Friedrichstadt, Schleswig-Holstein, en in Amsterdam. Zijn vader was handelaar. Ovens zou zijn kunstenaarschap combineren met handel.
Ovens was een leerling van Rembrandt (1606-1669). Waarschijnlijk kende hij Govert Flinck (1615-1660), de belangrijkste leverancier aan de winkel van Hendrick Uylenburgh (ca. 1587-1661) en zijn zoon Gerrit (1625-1679). Gerrit was zakenpartner van Rembrandt. [1]

Tot in 1661 had Jürgen Ovens zijn atelier op de hoek van de Nieuwezijds Voorburgwal en Suikerbakkerssteeg. Met ingang van mei woonde en werkte hij in of naast het atelier van de schilder Govert Flinck, aan de Lauriergracht in Amsterdam. [2]

In 1661 werd Ovens gevraagd een schilderij af te maken voor het nieuwe stadhuis op de Dam in Amsterdam. Het werk was door Flinck begonnen, maar bij zijn overlijden was het nog onaf. Ook maakte hij dat jaar een schilderij in opdracht van Christian Albrecht, zoon van hertog Frederick III, voor het maken van een allegorie. [3] Eveneens in 1661 schilderde Ovens het familieportret van Hendrick Mathias en Maria Timmerman.

Familie-alliantie

Hendrick Mathias werd geboren in Lütjenburg te Holstein, Duitsland. [4] Hij was al een succesvol koopman voordat hij in 1649 trouwde met Maria Timmerman in Amsterdam. Na het huwelijk namen zijn zaken een hoge vlucht. Hij slaagde erin een handelsimperium met een internationaal netwerk op te bouwen.

Akte van ondertrouw van Hendrick Mathias en Maria Timmermans, 12 maart 1649. Amsterdam 1648-1649. Ondertrouwregister, archiefnummer 5001, inventarisnummer 466, blad p. 391. Stadsarchief Amsterdam.

Maria Timmerman was geboren in Amsterdam als dochter van Paulus Timmerman (1590-1660). Paulus was afkomstig uit Riga en werd in Amsterdam eigenaar van een suikerraffinage en -bakkerij. Ook werd hij bewindhebber bij de West-Indische Compagnie (WIC). Zijn broer Samuel had ook een suikerbakkerij en trouwde met Leonora Coijmans, van het handelshuis Coijmans in Amsterdam. Maria groeide dus op in een rijke en machtige familie. Zij was weduwe van koopman Cornelis Schellinger toen zij trouwde met Hendrick Mathias.

Spaanse taal

Hendrick Mathias was beter bekend als Henrico Mathias. Hij dreef onder andere (illegaal) handel op Spanje en op de Spaanse bezittingen in de Caraïben, vaak via het eiland Curaçao. Ook sprak hij Spaans. Veel van zijn ondernemingen hadden te maken met mensenhandel (trans-Atlantische slavenhandel) en de handel in suiker.
Hij had belangen in scheepsbouw, partenrederij, scheepsverzekeringen en in bodemerij (leningen waarvan de aflossing en rente niet betaald hoeven te worden als een schip of een scheepslading op zee verloren gaat). Verder was hij grootaandeelhouder van de WIC.

Uitvinder

Van zijn veelzijdigheid getuigt ook het octrooi dat hij aanvroeg in 1664 voor het gieten van dun bladlood. Hij verklaarde het product zelf ‘door industrie ende met groote costen ende moeijten [te hebben] geïnventeert, tot seer grooten dienst van den scheepvaert, bijsonder op verre gewesten’.

Het product was bestemd voor de bekleding van scheepsrompen ter bescherming tegen worm, en voor ruimten voor de bewaring van brood en beschuit. Ook kon het worden gebruikt bij de bouw van huizen.

Handschrift, pen in inkt.
‘Octroij voor Henrico Matthias, coopman tot Amsterdam, tot het gieten van seecker dun bladtloot’, Zeeuws Archief, Archief Staten van Zeeland en Gecommitteerde Raden, (1574) 1578-1795 (1799), inv.nr 1677 volgnr 55.

De Staten-Generaal verleenden octrooi voor 21 jaren, waarna Mathias het octrooi ook bij de Staten van Zeeland aanvroeg. Het bestuur van het gewest Zeeland verleende hem daarop octrooi voor de tijd van vijftien jaar: hij zou het ‘bij hem geinventeerde bladtloot binnen onsen lande van Seelant alleen sal mogen gieten, doen gieten, verhandelen ende vercoopen; verbiedende allen ende eenen ijgelijcken ’t selve blatloot nae te gieten ofte elders naegegoten binnen den voors. onsen lande te brengen, verhandelen ende vercoopen …’. [5]

Trans-Atlantische slavenhandel

Bij trans-Atlantische slavenhandel werden aan de kust van West-Afrika tot slaaf gemaakte Afrikanen gekocht met handelsgoederen. Na de oversteek over de Atlantische Oceaan werden zij verkocht aan mensenhandelaren en plantagehouders in Noord- en Zuid-Amerika. Zij gingen een leven in slavernij tegemoet, onder andere op suiker-, koffie- en cacaoplantages. De producten van deze plantages waren in Europa zeer winstgevend.

Aanvankelijk hield de West-Indische Compagnie (WIC) vast aan het monopolie, maar gaandeweg kregen steeds meer handelaren toestemming om deel te nemen. Vanaf de jaren veertig ging een aantal van hen samenwerken met de WIC, daaronder was Henrico Mathias. Zo tekende hij 1 augustus 1657 een contract met de directeuren van de WIC om slaven naar Curaçao te vervoeren met het schip De Coninck Salomon.

Het netwerk van Mathias rondom de Atlantische Oceaan was groot. Zijn handelsbelangen strekten zich uit van West-Afrika, Brazilië, de Caribische eilanden, Nieuw-Nederland tot de Spaanse koloniën in Zuid- en Centraal-Amerika en de West-Indië. [6]

Veel handel liep via het eiland Curaçao in de Caraïben, maar er waren ook kooplieden die zich richtten op verre handel en geen gebruik maakten van het eiland of andere Nederlandse koloniën. Hendrick Mathias organiseerde deze reizen over grote afstand vanuit Amsterdam.

Samen met compagnons reedde hij bijvoorbeelde in 1664 een schip uit naar La Guaira en Maracaibo in Venezuela, Rio de la Hacha in Colombia, en Cuba. In september 1665 keerde het terug via Schotland, om de Engelsen te ontlopen. De lading bestond uit driehonderd kanasters tabak, vierduizend huiden en dertigduizend zilveren pesos. [7]

Voorbeeld: het schip de Griffioen

Een Zeeuws voorbeeld van een investering in de trans-Atlantische slavenhandel is het schip de Griffioen. In 1675 verkocht Hendrick Mathias zijn belangen in dit schip mét lading ruilgoederen. De Griffioen was onder leiding van schipper Christoffelens in september 1674 vertrokken naar de kust van Angola ‘tot slaafschen handel’. Met de ruilgoederen waren slaafgemaakten gekocht, met het doel hen te verkopen in Suriname. [8]

Het Suikerhuis in Amsterdam

Vanaf januari 1662 werd Hendrick Mathias eigenaar van de suikerraffinaderij ‘het Suikerhuis’ van zijn overleden schoonvader. Met zijn gezin bewoonde hij het huis van de raffinaderij aan de Prinsengracht bij de Leliesluis.
Hendrick bouwde de suikerhandel uit met belangen in raffinaderijen in Frankrijk. Regelmatig stuurde hij vakkundige medewerkers naar Rouen en La Rochelle.

In 1670 brandden fabriek en woonhuis tot de grond toe af, maar beiden werden herbouwd. [9] Omdat de panden naast het Nieuwezijds Huiszittenhuis stonden (van waaruit de bedeling aan de nog thuiswonende armen gebeurde), zijn beide meerdere malen afgebeeld.

Achter een ornament gaat een groot en hoog gebouw schuil.
Het Suikerhuis, situatie na 1670. Detail uit een plattegrond en gezicht op het Nieuwezijds Huiszittenhuis te Amsterdam, ets en gravure, ca 61,3×79,2 cm, na 1670. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-2018-1877.
Afbeelding in zwartwit van een hoog gebouw met grote schoorstenen, met op de voorgrond de gracht met een boot.
Het Suikerhuis, situatie voor 1670. Detail uit een ets en gravure van het Nieuwezijds Huiszittenhuis, 26,4×34,2 cm, 1693-1694. Uit: Commelin, Caspar. Beschryvinge van Amsterdam (…). Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-AO-26-13.

 

Gezin Mathias-Timmerman

Welke toekomst was er weggelegd voor de kinderen op het schilderij? Hendrick Mathias en Maria Timmerman kregen meerdere kinderen, maar slechts twee van hen bereikten de volwassen leeftijd. Dit zijn de oudste kinderen op het schilderij: Margaretha Magdalena en Christoffel, geboren in Amsterdam in respectievelijk 1652 en 1653.

Hun eveneens geportretteerde, jongere zusje Madelena, had ten tijde van de voltooiing van het schilderij niet lang meer te leven had of was zelfs overleden.
In het gezin werden in ieder geval nog drie kinderen geboren, die op jonge leeftijd overleden. Misschien verwijzen in het schilderij de kindergezichtjes in de wolkenlucht naar hen. [10]

Van Amsterdam naar Algiers

Hoe verging het de jongen die voorbestemd was roem te vergaren? Christoffel Mathias (ca 1653-1702) studeerde in 1671 rechten in Leiden en werd vervolgens advocaat in Amsterdam. Daar woonde hij, evenals zijn zus Margaretha, toen hun moeder overleed. Haar overlijdensdatum is onbekend, maar zij stierf eerder dan haar man Hendrick Mathias in 1676. Christoffels zus Margareta bleef ongehuwd, zij overleed op dertigjarige leeftijd in 1682. [11]

Daarna besloot Christoffel zijn leven om te gooien. Hij verliet Amsterdam en vestigde zich als consul-generaal in Algiers, Marokko.

Margaretha Magdalena Mathias (1652-1682). Olieverf op doek, 51×39.5 cm, toegeschreven aan Nicolaes Maes (1634-1693). Particuliere collectie. Foto: RKD.
Christoffel Mathias (1653-1702). Olieverf op doek, 51 x 39.5 cm, door Nicolaes Maes (1634-1693). Particuliere collectie. Foto: RKD.

 

Consul in Algiers

In 1683 werd hij benoemd tot consul in Algiers, in 1684 arriveerde hij in Noord-Afrika. [12] De Republiek had een consulaat opgericht om goede handelsbetrekkingen met Algerije te bewerkstelligen. De Algerijnse kaapvaart kostte de Nederlanders vele schepen en handelsladingen, terwijl bemanningen gevangen werden gehouden en tegen losgeld vrijgekocht konden worden.

Ongeveer gelijktijdig met Christoffel Mathias’ benoeming was de Algerijnse vorst Baba Hasan vermoord door Husayn, bijgenaamd Mezzomorte. Husayn riep zichzelf uit tot dey.

Begin 1685 arriveerde ambassadeur Thomas Hees in Algiers, waar Christoffel Mathias hem kon bijpraten. Husayn had Mathias verzekerd de vriendschap te handhaven, mits er genoeg Nederlandse handelsschepen Algerije zouden aandoen.

Ambassadeur Thomas Hees, zijn bediende Thomas en neven Jan en Andries Hees in 1687 in Algiers. Olieverf op doek, 76×63 cm, door Michiel van Musscher (1645-1705), 1687. Rijksmuseum Amsterdam, SK-C-1215.

Het voorgaande jaar had alleen een Vlissingse koopvaarder met scheepsonderdelen en oorlogstuig de haven bezocht. Het bezoek leverde Christoffel veel werk op: de bemanning had zich zo ernstig misdragen dat hij drie opvarenden in zijn woning in de boeien had gezet. Ze waren bestraft met driehonderd stokslagen. [13]

Thomas Hees ging op audiëntie bij dey Husayn. Het bezoek verliep vriendelijk, de dey benadrukte de vriendschap op prijs te stellen en verzocht de Republiek één model zeebrief (paspoort), naar voorbeeld van Engeland en Frankrijk, in gebruik te nemen. Dat zou verwarring en het ten onrechte in beslag nemen van schepen voorkomen. Daarna reisde de ambassadeur door voor vredesbesprekingen in Tunis en Tripoli, om daarna terug te keren naar de Republiek.

Een man in rijk versierde kleding, in gele jas, houdt een commandostaf in zijn rechterhand.
Pasja Husayn, dey van Algiers, bijgenaamd Mezzomorte. A.M. Wolffgang, gravure. Collectie Brown University Library.

Christoffel Mathias wenste al snel zijn betrekking op te zeggen. [14] Hij kreeg zijn ontslag 25 september 1685. Toch duurde het nog geruime tijd voordat hij terug kon keren. Dat was te wijten aan de ontsnapping van een tot slaaf gemaakte opvarende.

De vluchteling wist te ontsnappen door ongemerkt aan boord te gaan van een Nederlands schip. Husayn was woedend en liet Christoffel Mathias thuis gijzelen. Dat ging blijkbaar met geweld gepaard, want Christoffel klaagde erover dat zijn woning danig ‘gespolieert’ raakte.

Nadat de Staten-Generaal aan felicitatie aan Husayn stuurden voor zijn benoeming tot pasha door de sultan in Istanboel, kwam Christoffel vrij. Hij vertrok in februari 1686 en werd opgevolgd door Paulus Timmerman, zijn secretaris en neef. [15]

De Staten-Generaal besliste in 1686 inderdaad dat er één zeebrief kwam, de Turkse pas. Elk Nederlands schip dat door het Kanaal voer en daarmee risico liep door een Algerijns schip gekaapt te worden, diende zo’n pas te kopen. Toen het besluit werd genomen, had Husayn Dey in maart 1686 de vrede al opgezegd.

De eerste gekaapte schepen waren drie Zeeuwse koopvaarders. Paulus Timmerman probeerde de bemanning van de schepen, 51 opvarenden, vrij te kopen. De ‘lossing’ lukte. Het kostte geld en de inzet van een van de schepen om een lading hout voor de ‘Pascia Daij’ te halen. Gedurende het halen van het hout bleef Paulus bij het gevangen bootsvolk ‘om alle incovenienten en swaerigheden (die deese arme menschen geduerende haer verblijff alhier over ’t hooft hangen) voor te komen’. [16] Toen de drie schepen vertrokken richting Zeeland, was Paulus Timmerman aan boord van het schip dat hout had gehaald. [17]

Raad van Vlaanderen in Middelburg

In 1688 vestigde Christoffel Mathias zich in Middelburg, om aan de slag te gaan als raadsheer in de Raad van Vlaanderen. De akte van zijn aanstelling door de Staten-Generaal is bewaard gebleven in het Zeeuws Archief, in het Familiearchief Mathias-Pous-Tak van Poortvliet.

Akte van aanstelling door de Staten-Generaal van Christophel Mathias tot lid van de Raad van Vlaanderen, 1688. Charter, perkament. Zeeuws Archief, Archief Familie Mathias-Pous-Tak van Poortvliet, inv.nr 8.

De Raad van Vlaanderen, gevestigd in de abdij in Middelburg, was van 1599 tot 1795 het gerechtshof voor het huidige Zeeuws-Vlaanderen. De archieven van de Raad en het Leenhof van Vlaanderen zijn eveneens bewaard gebleven in het Zeeuws Archief. Zij maken deel uit van de Rechterlijke, Weeskamer en Notariële Archieven Zeeuws-Vlaanderen (RAZVL).

Huwelijk en een opvolger

Christoffel Mathias trouwde in 1688 in Middelburg met Sara Catharina van der Merct (1662-1713). [18] Zij was de dochter van Mr. Jan van der Merct en Constantia Boudaen Courten. Haar vader was schepen en raad te Middelburg en voor Zeeland gecommitteerde in de Raad ter Admiraliteit te Amsterdam. Haar broer Pieter van van der Merct was net als Christoffel raadsheer in de Raad van Vlaanderen.

Sara Catharina van der Merct (1660-1713). Olieverf op doek, 69,5×58,5 cm, door Jan van Haensbergen (1642-1705), ca 1688. Particuliere collectie. Foto: RKD.
Christoffel Mathias (ca 1653-1702). Olieverf op doek, 70×57,5 cm, door Jan van Haensbergen (1642-1705), ca 1688. Particuliere collectie. Foto: RKD.

Het echtpaar kreeg meerdere kinderen, waaronder Johan Constantijn (1691), Maria Magdalena (1692), Henriette Margarite (1695) en Christoffel jr. [19]

Waarschijnlijk verbleef het gezin niet alleen in Middelburg, maar ook in het net buiten de stad gelegen Sint Laurens. Daar werden de beide dochters gedoopt. De doopgetuigen in 1692 waren Samuel Timmerman, gerepresenteerd door Johan Boudaen Courten, ambachtsheer van Sint Laurens en Popkensburg, en zijn vrouw Anna Maria Hoeuft. In 1695 waren bij de doop aanwezig Abraham Biskop en Maria Coijmans, weduwe van Mr. Gualtherus Boudaen.

In navolging van zijn vader studeerde Johan Constantijn (1691-1765) rechten, waarna hij in Zeeland een invloedrijke positie kreeg. Hij werd schepen, raad, thesaurier en burgemeester van Middelburg, president van directeuren van de Levantse handel, en bewindhebber van de WIC en de VOC.
Van zijn loopbaan getuigen vele archiefstukken in het hierboven genoemde Familiearchief Mathias-Pous-Tak van Poortvliet. Zij geven een zeldzame blik op de Zeeuwse internationale handelsbelangen.

Conclusie

Het familieportret verbeeldt zowel het gelukkige huwelijk van twee echtelieden als de zakelijk geslaagde verbintenis: de vereniging van de handelsnetwerken en financiële slagkracht van beide families. Dat het zakelijke succes ten koste ging van mensenlevens overzee was een inzicht dat destijds in Europa geen aandacht kreeg. Met de kennis van vandaag weten we dat families zoals deze slavenhandel en slavernij mogelijk maakten en in stand hielden.

Tegelijkertijd houdt het familieportret een belofte in: voor de jongen is een goede toekomst weggelegd. Die toekomst lag in Zeeland. Met hem kwam de familie Mathias, het familiearchief en nu ook het familieportret naar Middelburg.

Archief Familie Mathias

Raadpleeg het archief van de familie Mathias-Pous-Tak van Poortvliet

hdl.handle.net

Noten, auteur, datum publicatie