Eugénie Hoek geportretteerd door L. Alma Tadema

Sander den Haan

Een nieuw portret is gevonden van de hand van de Nederlands/Britse kunstenaar Alma Tadema. Het gaat om een jeugdwerk en betreft een tekening van een leeftijdsgenootje, Eugénie Hoek, waarop hij verliefd was.

Eugénie Constance Elodie Hoek (Dordrecht 1836 – Kampen 1857). Geportretteerd te Leeuwarden in 1850 door de veertienjarige Lourens Alma Tadema (1836-1912). Tekening, krijt, ca 26 x ca 20 cm, zonder signatuur maar met verwijzing aan achterzijde blad en lijst. Collectie Fries Museum.

Dit is Eugénie Constance Elodie Hoek, geboren en gedoopt te Dordrecht respectievelijk 14 en 22 mei 1836, overleden te Kampen 4 mei 1857 en begraven te IJsselmuiden 7 mei van dat jaar. Zij is een zuster van Philip Jasper Hoek (1815-1838), onderofficier te Sluis tijdens de Belgische Afscheiding, waarover het artikel De desertie van sergeant Hoek tijdens de Belgische Afscheiding is geschreven naar aanleiding van een tevoorschijn gekomen pastelportret uit 1850.

Volgens opschrift op deze in september 2019 aan het Fries Museum geschonken beeltenis van Eugénie Hoek is vervaardiger jongeman gymnasiast Lourens Alma Tadema te Leeuwarden, destijds nog een pupil van tekenmeester ter plaatse Cornelis Wester (1809-1870).

Notitie op achterzijde portret van Eugénie C.E. Hoek, over de vervaardiger (de tekst is ernstig vervaagd), mogelijk van de Leeuwardense tekenmeester Cornelis Wester: ‘L. Alma Tadema fecit. Op den ouderdom van 14 jaar. 1850.’ [Met sierlijke onderstreping] Foto: restaurator Francien van Daalen, Fries Museum najaar 2019.

Achterop de originele lijst waarin het portret alle jaren bewaard is gebleven, is een etiket aangebracht met de tekst:

‘Tante Eugénie Hoek (…) geteekend door Alma Tadema op 14j. leeftijd (…). Dit was zijn 1. liefde. Het staat erachterop. Nooit weggooien”

Handtekening van Eugénie Constance Elodie Hoek (1836-1857) onder het gedichtje van 31 augustus 1850 dat refereert aan vroeg gestorven broer Johan Wilhelm, naar alle waarschijnlijkheid voor het album amicorum van zuster Maria E.H.E. (Dikkers-)Hoek. Gelders Archief, Familiearchief Hoek, inv.nr 36. Uit historische tekst getild en bewerkt door volontair Zeeuws Archief Ernst Heijn.

Eugénie Constance Elodie Hoek werd geboren in Dordrecht en woonde een aantal jaren in Sas van Gent voordat zij verhuisde naar Leeuwarden.

  • De Augustijnenkerk van de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Dordrecht aan de Voorstraat, in de Dordtse garnizoensstad waar Eugénie Constance Elodie aan genoemde straat op 14 mei 1836 geboren, op 22 mei daaraanvolgend door ds Adam Cornelis Romswinckel werd gedoopt. Vanuit deze stad zijn de ouders naar Sas van Gent vertrokken. Tekening door Jacob Hoolaart (1713-1789). Regionaal Archief Dordrecht, Gemeentelijke Prentverzameling, cat.nr. 552-232515.

  • De Oostkade te Sas van Gent met de toen nog bestaande kruiskerk en bargeschepen van de beurtvaart op Gent op de Gentsche Vaart omstreeks 1890. De vestingstad was tweede helft jaren dertig van de negentiende eeuw de woonplaats van het gezin Hoek. Het gezin heeft daar aan de Oostkade gewoond. Vanuit Sas van Gent heeft denkelijk in het jaar van de erkenning van de nieuwe buurstaat België door Nederlands koning Willem I (‘Verdrag van Londen’ 19 april 1839), de verhuizing naar garnizoensstad Alkmaar plaatsgevonden. Foto: collectie Eric de Roo te Middelburg.

  • Ouderlijk huis Oostkade 31 (destijds ‘Oost’ huisnummer 81) te Sas van Gent, een deels uit de zeventiende eeuw stammend gebouw met grote tuin bewoond door vader Melchior Hoek als kapitein-commandant van het reserve-bataljon 2de Afdeling Infanterie met de rang van majoor alsook sterfhuis van de dertienjarige broer Karel Christian Balthazar (overleden 6 december 1837). Het huis was een jaar eerder in huur in gebruik bij (militair) betaalmeester geboren Utrechter Pieter van Helmond in de jaren vijftig van de negentiende eeuw burgemeester van genoemde vestingstad. Links op de achtergrond is de toren van de in 1896 door blikseminslag verloren gegane kruiskerk zichtbaar. Foto: Frederik Caland ca 1860. Zeeuws Archief, archief van de Heemkundige Kring Sas van Gent, brochure over het architectenbureau c.q. de restaurator in vermeld woonhuis gevestigd, p.30.

    Vroeg levenseinde I

    Maar liefst een viertal noodlottige gebeurtenissen in het korte leven van het als een opgeruimde jongedame afgebeeld meisje heeft helaas sterk overschaduwd.

    Zusje Eugénie Henriette Elodie uit de Belgisch geworden stad Ieper overleed als zuigeling op de vlucht door moeder meegenomen tijdens de korte periode van vestiging te Utrecht, komend van revolutionair veranderd grondgebied.

    Oudere broers vermelde Philip Jasper en Karel Christian Balthazar stierven in de jaren toen het ouderlijk huis aan de oostkant van de Zeeuwsch-Vlaamse vestingstad Sas van Gent stond en tragisch in detentie nabij Leiden werd verbleven. Toen het ouderlijk huis te Leeuwarden stond, stierf oudere broer Johan Wilhelm Hoek op tweeëntwintigjarige leeftijd.

    Bevriend predikant en literator Cornelis Eliza van Koetsveld (1807-1893) moet hieraan hebben gedacht, toen hij in 1853 sprak over eene achtingswaardige familie, reeds door vele slagen geteisterd. [1]

    Bij het overlijden in de Friese hoofdstad van Johan wordt door broer Melchior Auguste Adolphe Hoek ‘namens de vader’, stilgestaan met een ‘Bilderdijkiaans rouwdicht’. Hierin spreken – letterkundig vroeg – ook objecten. Te weten het zakhorloge en de stoel bij leven in gebruik geweest:

    (…) Uw uurwerk sprak het luidst en schoon nu afgeloopen
    Herhaalt mij juist het uur waarop gij afscheid naamt
    Ons kwijnende verliet, – maar nimmer wederkwaamt
    Het spreekt mij van zijn Heer die ’t eens een cieraad was
    Die in zijn oogen, neen, die in zijn boezem las;
    Die ’t kunstvol heeft gediend en hoe zwak ook van kracht,
    Getrouw zijn diensten bood in ’t holste van den nacht
    Het spreekt mij van zijn Heer, die ’t stervend heeft behoort
    Dat nooit een vreemde dienst zijn ijver had bekoord
    Het vraagt uw erfgenaam van verdere dienst ontslag
    En gaat wijsgerig voort, schoon ik de stem niet zag
    Uw stoel van hout gemaakt verwijt mij koel en koud,
    Dat gij uw zitplaats thans in hooger kringen houdt (…) [2]

    Blad denkelijk voor Eugénies album bestemd, van een jonge man vermoedelijk postuum broer Johan Wilhelm Hoek (Ieper 1826 – Leeuwarden 1848) door broer Guillaume Dominique Hoek (Willem), in al dan niet gefantaseerd tuinlandschap met enthousiaste Friese jachthond ‘stabijhoun’, geplukte bloem en schepnet bij vijverpartij, mogelijk gebaseerd op bestaande commandantstuin bij het Blokhuis te Leeuwarden, op blad Frans gedicht over bestendigheid van ‘de bloem’, decembermaand 1851. Penseeltekening, 7,3 x 14 cm. GldA, FAH bloknr. 3161, inv.nr. 32b.

    Zelfs ‘het gedolvene – het plantenrijk’ roept broer Johan in herinnering. Zoals lijkt ook te zijn vastgelegd in de penseeltekening van een botaniserende jongeman, vermoedelijk postuum Johan voorstellend, met schepnet en geplukte bloem bij vijverpartij, bestemd voor het album amicorum van jongste zuster Eugénie. [3]

    Aankomst Leeuwarden

    Als tienjarig meisje kwam Maria E.H.E. Hoek, oudere zuster van Eugénie, in het voorjaar van 1842 met haar ouders zusters en broer Johan W. (die om gezondheidsredenen geen dienst had kunnen nemen) vanuit Nijmegen te Leeuwarden aan. Vader gepensioneerd hoofdofficier Melchior (Melchert) Hoek was benoemd als commandant van het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in deze plaats, opvolger van jonkheer Édouard de Charon de Saint Germain evenals Hoek luitenant-kolonel infanterie met leeftijdsontslag.

    Vader Melchior (Melchert) Hoek (Leeuwarden 1786 – Kampen 1869), als majoor 9de Afdeling infanterie en drager van ordetekens van de Militaire Willemsorde en het Legioen van Eer alsook medaille ‘Metalen Kruis 1830-1831’, toegeschreven aan neef ds Johannes Catharinus van der Veur (1807-1994), waarschijnlijk Dordrecht 1836. Uitgelijst pendantportret in potlood, 39,9/40,3 x 27,8 cm, waarschijnlijk Dordrecht 1836. Gelders Archief, Familiearchief Hoek, inv.nrs. 9.
    Moeder Wilhelmina (Sophia) Sollman (Utrecht 1791 – Kampen 1857), toegeschreven aan neef ds Johannes Catharinus van der Veur (1807-1994), waarschijnlijk Dordrecht 1836. Uitgelijst pendantportret in potlood, 38,7/39,8 x 27,5 cm. Gelders Archief, Familiearchief Hoek, inv.nrs.10.

    Het ouderlijk huis werd de commandantswoning, het laatmiddeleeuwse Blokhuis, op het gevangenisterrein. In vele opzichten moet dit oude ‘kasteelrestant’, onderdeel van het complex van de grootste Nederlandse staatsgevangenis, een voor een kind intrigerend woonhuis zijn geweest. Zo zal zij regelmatig, behalve bewakers in uniform, daar tevens werkzame gevangenen op het terrein hebben kunnen zien. Enkele gedetineerden waren zelfs in vertrekken werkzaam die in verbinding stonden met het ouderlijk huis.

    Ouderlijk huis het laatmiddeleeuws Blokhuis vanaf het Blokhuisplein gezien met geüniformeerde bewakers, ambtswoning van het complex van het Huis van Opsluiting en Tuchtiging te Leeuwarden (huis en poort met bekroond timpaan en traptoren rechts), waarvan vader Melchior (Melchert) Hoek tot in de jaren vijftig van de negentiende eeuw commandant was, 1867-1870 (uit: Ellen Schat en Rob Leemhuis, ‘Blokhuispoort. 500 Jaar gestraft in Leeuwarden’ (Leeuwarden 2008) pag. 21). De hoven van de commandant en adjunct-commandant, vermeld in de jaren 1846 en 1847 in het archief van de Commissie van Administratie bij het Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum ‘Tresoar’, achter Militaire Wacht annex woonhuis adjunct-commandant (hier het vrijstaand gebouw in landhuisstijl dat achter de rechter boom zichtbaar is).

    Later in haar leven zou Maria E.H.E. haar kinderen over een door gevangenen ondernomen poging tot uitbraak vertellen. Uit de brieven van het gevangenisbestuur blijkt dat van een ontsnappingspoging inderdaad sprake is geweest. Door de commandantsdochter zullen zijn bedoeld de voorbereidingen voor ontsnapping getroffen in maart 1843. Een gevangenenbewaarder had toen haar vader het verontrustende anonieme briefje gegeven dat voor de deur van de ziekenzaal voor jeugdige gevangenen was aangetroffen. Melchior Hoek was daarop met drie bewaarders in de zaal poolshoogte gaan nemen. Bij de inspectie van de ziekenzaal werd achter een met losse planken dichtgetimmerde opening het bewijs aangetroffen: In de ruimte boven het vertrek waren verpleegde jongens bezig geweest de specie tussen de stenen van een dichtgemetseld venster uit te krabben. In het metselwerk hadden zij al een gat weten te maken.

    Periode portret Alma Tadema

    Zoals het adellijk weesmeisje Élodie in de toen populaire roman van Frans burggraaf d’Arlincourt (1788-1856) – bruid van de in het boek incognito overlevende Karel de Stoute -, waaraan de derde voornaam refereert, lijkt Eugénie een oppassend lief meisje te zijn geweest. Een voorbeeldige dochter die zich op een school voor gevorderd onderwijs door prestaties wist te onderscheiden en in verband daarmee met een pas verschenen Franse roman werd beloond. Wonend op citadelrestant uit de laatste levensjaren van hertog Albrecht van Saksen (1443-1500), heer van Friesland. Toentertijd het Blokhuis in de Friese hoofdstad, dat als vaders ambtswoning diende.

    Zelfportret van Lourens Alma Tadema, latere geadelde Britse kunstschilder Sir Lawrence Alma-Tadema, (Dronryp 1836 – Wiesbaden 1912) op zestienjarige leeftijd. Olieverf op doek 1852 58,5 x 48,5 cm; opusnummer artiest II). Fries Museum, Collecties Koninklijk Fries Genootschap.

    Eugénie Hoek heeft die jaren kunnen kennismaken met genoemde notariszoon, de op vierjarige leeftijd halfwees geworden Lourens Alma Tadema, liefhebber van kastelen en archeologische antiquiteiten. Sinds 1837 wonend in de Friese hoofdstad waar vader Pieter (Jeltes) Tadema aan de Uniabuurt diens Dronryps kantoor annex woonhuis Dûbelestreek 2 (Lourens’ geboortehuis) had voortgezet. Het te Leeuwarden bewoond notariskantoor was gevestigd in de vroegere herberg ‘De Ossekop’, thans huisnummer 8, nabij het Blokhuis.
    De geboren Rypster met artistieke aspiraties die in de veertienjarige Eugénie in de ambtswoning op het gevangeniscomplex diens eerste vriendinnetje vond. En haar beeltenis met pastelkrijt wilde vastleggen. [4]

    Alma Tadema kreeg op jonge leeftijd les van Cornelis Wester (1809-1870), tekenmeester te Leeuwarden. Hij  maakte kennis met technieken, ontwikkelde vaardigheden en leerde de juiste keuzes  te maken. Met diens zelfportret in olieverf heeft deze – zestien jaar oud – kans gezien in aangrenzend buitenland België tot de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen te geraken.

    Lourens’ jeugd

    “Alma-Tadema’s verhaal wordt gekenmerkt door veel dramatische gebeurtenissen en een paar tragedies. Pieter Tadema, de vader van de jeugdige artistiekeling die notaris was in Dronryp en later in Leeuwarden, aan de respectieve Dûbelestreek en Uniabuurt, stierf toen zijn zoon (Lourens Alma genoemd naar zijn peetoom) pas vier jaar oud was. Hierna brak een financieel zware tijd aan voor het gezin.

    Een Engels gelijkend kasteelgebouw (met Duitse vlag) met op nabij liggend meer een stoomvaartuig. Blad met penseeltekening, 9 x 14 cm, in het album amicorum van Willem Hoek, broer van Eugénie Hoek, zonder signatuur of opusnummer artiest, toegeschreven aan Lourens Alma Tadema (1836-1909) als jongeman te Leeuwarden, omstreeks 1850. Gelders Archief, FAH, inv.nr. 32b.

    Het zou logisch zijn geweest als Lourens had toegegeven aan de wens van de familie om advocaat te worden, zoals zijn vader had gewild, maar al in zijn tienerjaren werd zijn onafhankelijkheid van geest duidelijk en hij liet zich hier later op voorstaan. Als ik enige mate van succes heb verworven, is dat omdat ik altijd trouw ben geweest aan mijn eigen ideeën. Hij ontliep zijn verantwoordelijkheid om voor zijn moeder, Hinke Dirks Brouwer, en zijn zus Artje te zorgen niet, maar hij deed dat op zijn eigen manier: door tegen de verwachtingen in te slagen als kunstenaar. Aan het begin van zijn tienerjaren deed hij zo hard zijn best om én goed te leren tekenen én zijn huiswerk voor school te maken, dat hij ernstig ziek werd. Artsen vreesden dat hij niet lang meer te leven had en hij kreeg toestemming om zich geheel aan de kunst te wijden. Hij herstelde snel – de eerste van de dramatische wendingen die zijn loopbaan zou kenmerken.” uit: ‘Het begin van een reis van Dronryp naar Brussel 1837-1870’ in: Elizabeth Prettejohn en Peter Trippi (red.), Alma-Tadema. Klassieke verleiding (Zwolle 2017) pag. 18-25.

    Vaderlijk voorbeeld

    In 1849 was de vader van Eugénie vijftig jaar in militaire en burgerlijke dienst. Een feit dat door Commissie van Administratie werd benut om deze bij de minister van Justitie voor te dragen voor een gratificatie of een ander blijk van waardering. Zij wilde op deze wijze de regering erop attent maken hoe belangrijk het is oude en getrouwe ambtenaren te belonen, ‘tot verdere aanmoediging om ook hunne laatste krachten nog aan hunne pligt en roeping toe te wijden, en ter aansporing tevens van anderen om zoodanige voorbeelden te volgen’. De Friese gevangenisbestuurders hadden van vele van diens oude kameraden vernomen over ‘vijftig eervolle jaren doorgebracht in ijverige pligtsbetrachting, naauwgezette dienstijver en onwankelbaren trouw jegens koning en vaderland’.

    Bij het afscheid vier jaar later, kreeg de vader het ‘Afschrift jaarlijksche verslagen van de Commissie van Administratie der strafgevangenis te Leeuwarden’ cadeau, een overzicht dat (incompleet) in het familiearchief berust: uittreksels uit de jaarverslagen van het hoofdbestuur die in het archief van de Commissie pas vanaf 1858 berusten.

    In het eerste dienstjaar betuigt de Commissie haar tevredenheid over de keuze van de landsregering van Hoek als commandant van het Huis van Opsluiting en Tuchtiging. Deze wordt in het ‘Afschrift’ in het eerste dienstjaar oplettend, ijverig en accuraat met de uitvoering van orders gevonden. De verwachting is dat deze gepensioneerd militair ‘eenen zeer voldoenden kommandant’ zal zijn.

    Die tevredenheid lijkt aan het eind van het tweede jaar al een piek te hebben bereikt. In het volgende jaarverslag van de Commissie van Administratie wordt gezegd dat van al de lof de bescheiden commandant het vorige jaar toegezwaaid, niets hoeft te worden teruggenomen. Aan het jaar van de verbouwing van het gevangeniscomplex, met alle overlast voor personeel en gevangenen van dien (1847), wordt gezegd dat nooit tevoren een ‘zo goeden kommandant’ het dagelijks bewind over de Leeuwarder gevangenis had gevoerd.

    • Naaldkunst met balen, anker, zeilschip (eenmaster) en ‘merovingische gevleugelde helm’ op te verschepen goederen van oudere zuster Louisa (Louise) Maria Hillegonda Elisabeth (Buis-)Hoek op geperst papieren stramien en bijbehorend Frans vers 8 juni 1849. Blad 9 x 14 cm. Gelders Archief, FAH, inv.nr 32b.

    • Naaldkunst met anker en lauwertak van Eugénie C.E. Hoek op geperst papieren stramien en bijbehorend vers 24 augustus 1850. Blad 9 x 14 cm. Gelders Archief, FAH, inv.nr 32b.

      Friese finishing school

      Van de tijd op de ‘Franse Dag- en Kostschool voor Jonge Juffrouwen’ als vervolg op de basisschooljaren, in een nieuw gebouw aan de Grote Kerkstraat te Leeuwarden, getuigen prijsband en aanbiedingsbrief uit 1850 van bijgaande illustraties.

      Titelblad prijsband ‘Franse Dag- en Kostschool voor Jonge Juffrouwen’ aan de Grote Kerkstraat te Leeuwarden in verband met gemaakte vorderingen uitgereikt aan leerlinge Eugénie Hoek, 1850 juni 26. Met losse deels gedrukte aanbiedingsbrief. Betreft Gustave Nieritz e.a., ‘Les enfants d’Édouard ou le Cinquième Commandement de Dieu (…)’ (Parijs 1849). Gelders Archief, FAH inv.nr. 37.01. Foto Melchior Dikkers, Parijs.
      Aanbiedingsbrief, deels gedrukt. Foto Melchior Dikkers, Parijs.

      Naast het door het Historisch Centrum Leeuwarden bewaard ‘stamboek’ medio jaren vijftig beginnend, vormen deze documenten voorbeelden van de neerslag van taakuitvoering binnen de muren van het toen gebruikt gebouw. Ruim twintig jaar later is de ‘Franse dag- en kostschool voor meisjes’ als openbare school onder de aanduiding ‘Gemeenteschool 1’ tot in de jaren zeventig van de negentiende eeuw voortgezet.

      Tijdens de schooljaren in de Friese hoofdstad zal leerlinge Eugénie haar album amicorum hebben aangelegd, waarvan, zover bekend, een penseeltekening en Frans gedichtje van broer Willem uit december 1851 zijn bewaard gebleven.

      Les Fleurs qui sement le printemps
      Ne durent que fort peu de temps
      Mais celle qui offrent l’Amitié
      Ne perdront jamais leur beauté

      Broer Guillaume Dominique (Willem) Hoek (Ieper 1822 – Nieuwer-Amstel 1894) als kapitein Oost-Indisch Leger en ridder Militaire Willems-Orde 4de klas te Parijs, wsch. 1868. Deze persoon legde omstreeks 1850 een album amicorum aan waaraan gymnasiast Lourens Alma Tadema met bovenstaande Engelse kasteeltekening lijkt te hebben bijgedragen. Geschilderde foto, gelijmd op houten paneel 14,2 x 9,7 cm (nr. 39941 ‘Huck’) door L. Delgardin, ‘artiste peintre’, 89 Boulevard de Courcelles te ParijsGelders Archief, FAH inv.nr. 33.0003

      Twee gedichten voor alba amicorum van broer en zusters van de hand van Eugénie, uit 1850, zijn bewaard, een voor haar broer Willem, en een voor Maria E.H.E. Deze toen achttienjarige zuster wenst zij in de zomer van laatstgenoemd jaar – zelf nog maar veertien – een onwankelbaar godsvertrouwen toe. Zij doet dit denkelijk onder invloed van de pijnlijke ‘verlenging’ van de bijna twintigjarige rouwperiode in het gezin, in verband met het verlies van broer Johan Wilhelm. Het blad is bedoeld voor Willems album amicorum en bevat een afschrift van Eugénies voor Johans album geschreven gedicht, ongetwijfeld om zo de heilwens een emotionele meerwaarde te geven. Voor het tweede gedicht put zij uit de bundel verzen en termen uit de bloemsymboliek Verzameling van albumversjes en bloemenspraak (Groningen 1846) over hechte vriendschap die in het hemelrijk voort bloeit. [5]

      • Guillaume Dominique (Willem) Hoek als sergeant van de Dienstdoende Schutterij Leeuwarden. Tekening in potlood, ca 10 x ca. 4 cm, door diens vijf- à zevenjarig neefje Melchert Jasper Johannes Jacobus Hoek te Ureterp, wellicht naar voorbeeld van bestaand portret gemaakt, waarschijnlijk 1852. Gelders Archief, FAH inv.nr. 32.02

      • ‘Voor oom, Dit heeft Melchior op zondagavond geteekend. Adju lieve broeder, Gods beste zeegen ruste op U. Uwe liefhebbende zuster, Marie’ Aan ommezijde van de eerste tekening de afscheidsgroet in verband met Willems vertrek naar Oost-Indië, van schoonzuster Anna Maria Hoek-Jobst (Marie), waarschijnlijk 1852. Gelders Archief, FAH inv.nr. 32.02

      • Guillaume Dominique (Willem) Hoek als luitenant van de Dienstdoende Schutterij Leeuwarden. Tekening in potlood, ca 10 x ca. 4 cm, door diens vijf- à zevenjarig neefje Melchert Jasper Johannes Jacobus Hoek te Ureterp, wellicht naar voorbeeld van bestaand portret gemaakt, waarschijnlijk 1852. Gelders Archief, FAH inv.nr. 32.02

        Verandering van woonplaats

        December 1853 zal de commandant met zijn gezin druk bezig zijn geweest met het treffen van voorbereidingen voor het verlaten van de Leeuwardense ambtswoning. Maar met extreem winterweer moest serieus rekening worden gehouden. Beoogde nieuwe woonomgeving de Overijsselse stad voor militaire scholing: IJsselstad Kampen.

        Op 1 januari van het volgende jaar zou de zevenenzestigjarige Melchert Hoek zijn taken officieel kunnen neerleggen. De Commissie van Administratie gaf op 19 december toestemming om de verhuizing vanuit het Blokhuis uit te stellen tot de al weken durende strenge vorst voorbij was. Hoeks opvolger, majoor Adolph Schellinga van Geldrop, kon zolang zijn intrek nemen in de woning van de adjunct-commandant, die door het overlijden van adjunct Pascal van Alphen niet in gebruik was.

        Echter, volgens de Leeuwarder Courant van 6 januari 1854 was twee dagen eerder ‘in buitengewoon groote hoeveelheid’ sneeuw gevallen, waardoor de communicatie bijna geheel was gestremd. De diligence met de Hollandse post, die op 3 januari had moeten aankomen, was op 5 januari nog steeds niet op de plaats van bestemming en het vervoer van boter voor de markt van 4 januari was onmogelijk geweest. Die dag waaide een harde wind die de sneeuw tot duinen opjoeg. De hoogbejaarde Fries Doeke Wygers Hellema merkt in zijn dagboek op dat hij zich niet kan herinneren dat het ooit zo een vorst was geweest. De thermometer gaf te Leeuwarden volgens de krant op de ochtend van 3 januari 1854 acht tot tien graden onder nul aan.

        Hoewel de weersomstandigheden duidelijk bar en boos waren zal Eugénies vader, militair doordrongen van verplichtingen, vertrek met vrouw en dochters niet langer hebben willen uitstellen. Op 6 januari, de tweede dag van de dooi, toen de enorme sneeuwmassa nog volop aan het smelten was, vertrok het gezin richting Kampen. Afgaande op de data van uitschrijving en inschrijving in de bevolkingsregisters van Leeuwarden en Kampen moet het gezelschap dezelfde dag nog in zijn nieuwe woonplaats zijn aangekomen.

        Er was sprake geweest van een koudegolf die zelfs in de grote rivieren ijsvorming had veroorzaakt, voelbaar tot in het zuiden van Europa.

        Vroeg levenseinde II

        Militair auteur Abraham Pompe (1831-1909), die haar zoals hij suggereert in 1855 moet hebben ontmoet, wellicht als de jongste gastvrouw in het ouderlijk huis ‘Sint Joris’ aan de Boven Nieuwstraat, die thee schenkt en met zusters gedichten declameert en beluistert (nadagen hoogromantiek). [6] Deze herinnert zich het meisje in diens novelle ‘Een oudgediende’ in militair tijdschrift Het Vaandel (1861/1862) als ‘de twintigjarige lieveling’.

        Auteur Abraham Pompe (Gorinchem 1831 – Den Haag 1909) in het uniform van kapitein infanterie, in de jaren 1853-1863 verbonden aan het Instructie-Bataljon te Kampen en vanaf 1863 docent aan de Militaire Academie te Breda. Foto omstreeks 1870 door ‘Kannemans & Zoon’ te Breda uit ‘Tussen vrijheidsboom en oranjewimpel (…)’ (Rotterdam 1995) pag. 564.

        Pompe schrijft over Eugénies ziekbed dat haar moeder ook ’s nachts niet verliet. Een beproefde ouder zorgende en biddende voor haar dochter die volgens de auteur met tyfus was besmet geraakt. Kennelijk is zij vroeg slachtoffer geworden van de te Kampen zich manifesterende bacteriën.
        In Pompes verhaal houdt vanaf diens provisorisch veldbed de slapeloze vader de ziekekamer in het volgend Kampens huis aan de Cellebroedersweg nauwlettend in het oog. Echter, de ouderlijke zorgen hebben niet mogen baten.

        Bezoek in 1855 aan het gezin – in alle eenvoud levend – aan de Boven Nieuwstraat te Kampen, met smakelijke thee en dichtkundige belangstelling, volgens bezoeker Pompe in diens novelle ‘Een oudgediende’ als reactie op de gevolgen van de pensioenwetten voor de Landmacht van 1851, in militair tijdschrift ‘Het Vaandel’ (1861/1862) gedeelte pagina 234. Gelders Archief, Familiearchief Hoek inv.nr. 19.
        • Ouderlijk huis, zeventiende-eeuws koopmanshuis ‘Sint Joris’. Boven Nieuwstraat 100 te Kampen, destijds wijk IV nummer 379, waar Eugénie C.E. en oudere zusters Jeanne Gertrude Wilhelmine (Jans) en Maria E.H.E. in 1855 bij de door militair auteur Abraham Pompes afgelegde theevisite aanwezig waren. Foto omstreeks 1980. Gelders Archief, FAH, inv.nr. 14.02 m.

        • Ouderlijk huis, zeventiende-eeuws koopmanshuis ‘Sint Joris’. Boven Nieuwstraat 100 te Kampen, destijds wijk IV nummer 379, waar Eugénie C.E. en oudere zusters Jeanne Gertrude Wilhelmine (Jans) en Maria E.H.E. in 1855 bij de door militair auteur Abraham Pompes afgelegde theevisite aanwezig waren. Foto omstreeks 1990, op websites monumenten.nl en archieven.nl.

          Eugénie stierf op 4 mei 1857, om vier uur in de morgen, tien dagen voor haar eenentwintigste verjaardag in genoemd huis wijk I nummer 317. De begrafenis vond plaats op 7 mei van dat jaar, in grafstee nummer 276 in het tweede perk van de tweede klas-afdeling van de Algemene Begraafplaats ‘De Zandberg’ van de gemeente Kampen in het nabijgelegen dorp IJsselmuiden. In het graf werd honderd jaar later de overleden grossier Jacob Johannes Kroeze begraven, na wiens overlijden het graf door de erven was aangekocht en van een rustiek monument voorzien.

          Woonhuis Cellebroedersweg wijk I nummer 317, dwarshuis met trapje en dakkapellen met timpaan, toentertijd bewoond door ouders Melchior Hoek en Wilhelmina (Sophia) Sollman, dochters Jeanne G.W., Maria E.H.E. en Eugénie C.E. Eugénie, haar moeder en haar neef Johan Wilhelm Buis uit Weert en vader weduwnaar Hoek kwamen in het huis te overlijden. Olieverf op paneel, gezicht op de Cellebroederspoort te Kampen, door Cornelis Springer (1817-1891) in 1863, 11,5 x 42 cm. Zie noot 9. Stedelijk Museum Kampen, bruikleen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

          Stilstaande bij Eugénies heengaan constateert Pompe bespiegelend: (…) Gij weet dat de dood zich niet laat verbidden en de liefelijkste bloemen vaak het eerst worden geplukt (…) ten aanzien van de kwetsbaarheid van het schone geslacht, in diens novelle.

          Begin oktober dat jaar laat de auteur Pompe opnieuw een bezoek aan het gezin Hoek plaatsvinden. De aanleiding tot het bezoek was, treurig genoeg, de uitnodiging voor een andere begrafenis. In de binnenkamer, een vertrek tussen voorhuis en achterkamer, van het middeleeuwse huis aan de Cellebroedersweg ziet hij de kist: bijna vijf maanden na het overlijden van de door haar verpleegde jongste dochter Eugénie C.E. is moeder Wilhelmina ziek geworden.

          ‘De giftige ziektestof, ingeademd aan de stervenssponde, door haar zoo trouw bewaakt, veroorzaakte haar een kort lijden en verhaasten dood.’ Hier lijkt de auteur zich te laten meevoeren door de behoefte aan vloeiende verhaallijn, want het tijdsbestek tussen het overlijden van moeder en dochter besloeg nagenoeg vijf maanden.

          Dat de doodsoorzaak door de schrijver onder de noemer van tyfus is geplaatst, lijkt verklaarbaar. Het jaarlijks verslag van de Gemeente Kampen van 1857 laat misschien de onduidelijkheid doorschemeren waarvan toentertijd ter plaatse sprake was. Het spreekt namelijk van vele typhoïde koortsen en typhus die vanaf het najaar hadden gewoed. [7] De daadwerkelijke teraardebestelling van 2 oktober 1857 schuift de auteur van het begin naar het eind van het najaar, naar een mooie dag waarop hij waarschijnlijk uit achting voor overleden moeder Wilhelmina, een helder witte sluyer van sneeuw het veld laat bedekken welke onderweg aan het gezichtsveld voorbijglijdt. [8]

          Epiloog

          Het olijk ogend meisje zoals waargenomen door de verliefde Lourens Alma Tadema, kunstenaar in wording, zal voor altijd jong blijven. Dankzij de kunstzinnige jongeman en dankzij de verwanten van de jeugdig geportretteerde met hart voor het erfgoed van hun familie.

          Erfgoedbescherming – Beeltenis

          Op het etiket aan de achterzijde van de kennelijk vervangen lijst van Eugénies portret is vermeld door nichtje geportretteerde, Gerardina C. van den Steen (ex Van den Steen-Dikkers):

          ‘Tante Eugénie Hoek, zuster v. oma Dikkers, geteekend door Alma Tadema op 14j. leeftijd (…). Dit was zijn 1. liefde. Het staat erachterop. Nooit weggooien’

          Etiket met opschrift over vervaardiger van Eugénies portret de latere kunstenaar Lourens Alma Tadema, omstreeks 1950 door toenmalig beheerster achternichtje Gerardina Catharina van den Steen op de portretlijst aangebracht, waarschijnlijk aangevuld met herinneringen aan verhalen van grootmoeder Dikkers-Hoek, omstreeks 1950.
          • Zuster Maria Eugénie Henriette Elodie Hoek (Den Bosch 1832 - Boxmeer (kasteel) 1916), weduwe Willem Dikkers, bezig met haakwerk in serre van (thans niet meer bestaand) buitenhuis ‘Villa Paradisa’ van zoon Kampens bankier en commissionair in effecten Melchior Floris Dikkers, Soestdijkerstraatweg 32(a) te Hilversum omstreeks 1910. Deze dame en haar kleindochter Gerardina Catharina van den Steen ontfermden zich als eersten over de papieren herinneringen aan zuster c.q. tante Eugénie Hoek. Kabinetfoto. Gelders Archief, FAH, inv.nr. 36.01c

          • Achternichtje Gerardina Catharina van den Steen (Wageningen 1884 – Haarlem 1965) te Den Haag, verpleegster en vroedvrouw, tijdens de Eerste Wereldoorlog vrijwillig verpleegster in de Engelse industriestad Birmingham, omstreeks 1900. Carte-de-visite-foto Chits & Fils, Gedempte Burgwal 286 Den Haag. Gelders Archief, FAH, inv.nr. 268.05

            Vervaardiger

            Het is onbekend of jongeman Lourens Alma Tadema en diens ‘eerste geliefde’ vóór vertrek naar België elkaar de trouwbelofte hebben gedaan. Lourens heeft het jaar na Eugénies overlijden (vanuit Antwerpen) Leeuwarden bezocht om daar, als doopsgezinde, met de volwassenendoop te worden gezegend.

            Hij trad te Antwerpen 14 september 1863 in het huwelijk met Brusselse Marie Pauline Gressin Dumoulin de Boisgirard bij wie hij een zoon en twee dochters kreeg. De jonggestorven zoon Eugenius (die niet naar grootvader van vaderskant notaris Pieter Jeltes was vernoemd) heette wellicht, behalve naar schoonvader Eugène, tevens naar de eerste jonggestorven liefde Eugénie Hoek uit de Leeuwardense jaren.

            Na het overlijden van Marie Pauline in 1869 huwde hij te Londen 29 juli 1871 schilderes Laura Theresa Epps. Sir Lawrence Alma-Tadema (in 1899 door koningin Victoria geridderd) is in Duits kuuroord Wiesbaden overleden 25 juni 1912 en eervol begraven in St. Paul’s Cathedral te Londen 5 juli daaraanvolgend onder gezang van talrijk aanwezige genodigden van de hymne ‘Thy will be done’ en onder het spel op het grote orgel van de treurmars uit Händels oratorium ‘Saul’. [10]