Chirurgijn van de admiraliteit - ‘deur grooten cost, moyte ende traveijl’

Het bootsvolk in dienst van de admiraliteit kreeg gratis medische zorg. Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog hebben vele opvarenden er gebruik van gemaakt. Maar wat stelde die zorg voor? Een opererend algemeen chirurg toetste voor het Zeeuws Archief een chirurgijnsrekening uit 1591 aan de hedendaagse kennis.

De oorlogsdreiging was aan het einde van de zestiende eeuw dagelijks voelbaar op de Zeeuwse eilanden. De vijand was dichtbij en opereerde vanuit belangrijke steden en havens zoals Antwerpen en Duinkerken. Regelmatig kwam het tot een treffen met Spaanse galeien en Duinkerker kapers.
De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) eiste ook op zee slachtoffers. Niet alleen Spaans vuur zorgde voor verwondingen bij het bootsvolk. Regelmatig faalde het eigen wapentuig en ontplofte in de handen van de opvarende. Daarnaast was het werk aan boord zwaar en gevaarlijk. Ziekten en slechte weersomstandigheden verhoogden de kans op ongevallen.

‘Gelukkig’ konden de gewonde opvarenden rekenen op gratis medische zorg. Niet alleen aan boord, waar een barbier of scheepschirurgijn de eerste zorg verleende, maar ook na thuiskomst aan vaste wal. Bij blijvende arbeidsongeschiktheid kreeg een opvarende een jaarlijkse uitkering.

Rekening over november 1590 tot en met januari 1591, ingediend door Gillis Borsselaer, chirurgijn te Vlissingen, uitbetaald in mei 1591. Zeeuws Archief, Rekenkamer van Zeeland, C 6143, volgnr 468.

Vlissingen was de grootste haven voor schepen van de in 1586 opgerichte Zeeuwse Admiraliteit – de voorloper van de Marine. Hier zocht het grootste aantal gewonde opvarenden medische hulp, onder ander bij chirurgijn Gillis Borsselaer.

De rekeningen van de chirurgijns zijn bewaard gebleven in het archief van de Rekenkamer Zeeland in het Zeeuws Archief in Middelburg.

Chirurg Paul Sars toetste de verrichtingen van de chirurgijn Borsselaer aan de hedendaagse kennis. Hij gebruikte daarvoor een rekening die Borsselaer indiende in 1591. Sars is oncologisch chirurg, gastro-intestinaal chirurg en algemeen chirurg bij het Bravis Ziekenhuis in Bergen op Zoom en Roosendaal.

Rekening mét bijlagen

Bekijk online de rekening met bijlagen van Gillis Borsselaer over de maanden november 1590 tot en met januari 1591

hdl.handle.net

Gillis Borsselaer

Chirurgijn Gillis Hubrechtszoon Borsselaer (ca. 1544-1614) was gevestigd in de snelgroeiende havenstad Vlissingen. Naar zijn zeggen diende hij het land al sinds 1573 ‘ten tyd van den admirael Worst’. Gedurende ruim veertig jaar behandelde hij opvarenden van de schepen van de Admiraliteit in Zeeland. [1]

Overwinning op de Spaanse vloot bij Vlissingen, 22 -23 april 1573. De Spaanse schepen die Middelburg wilden ontzetten worden door de watergeuzen verslagen op de Schelde bij Vlissingen. Ets en gravure, 24×31 cm., naar Frans Hogenberg, 1573-1575. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-78.623-29

Chirurgijn Borsselaer woonde en werkte waarschijnlijk aan de Koopmanshaven van Vlissingen, nu Bellamypark 25. Hier verpleegde hij ook zwaargewonden zonder verblijfplaats. De patiënten verlieten de praktijk dus als zij weer konden staan en gaan. [2]

Er lijkt aanvankelijk sprake te zijn geweest van een vrije artsenkeuze voor de gewonde bootsgezellen van de schepen van de Admiraliteit. Dat veranderde in 1592. Dat jaar werd Borsselaer samen met drie collega’s in Vlissingen aangewezen tot chirurgijn voor de Admiraliteit in Zeeland.

Voortaan dienden gewonde opvarenden in Vlissingen zich door één van deze vier chirurgijns te laten behandelen. De Admiraliteit verbood de chirurgijns ‘d’een den anderen deselven curen te ondercruypen, maer ’t voors. bootsvolck vryelick te laten gaen daer ’t hunlieden goetdunct’. Ze mochten patiënten dus niets opleggen. Een opvarende was vrij om de chirurgijn van zijn keuze te bezoeken.

Verder kregen de chirurgijns de verplichting om de Raad ter Admiraliteit op de hoogte te houden van nieuwe patiënten en de aard van hun verwondingen. Een verklaring van de kapitein ‘inhoudende hoe ende waer zy de quetsuere ghecreghen hebben’ was daarbij vereist. [3]

Aanvankelijk behandelde Borsselaer naast patiënten van de Zeeuwse oorlogsschepen, ook bootsgezellen in dienst van de Hollandse admiraliteit en Vlissingse burgers. Vanaf 1600 verleende hij zijn diensten uitsluitend aan het bootsvolk van de Admiraliteit in Zeeland. De admiraliteit bood hem dat jaar een dienstverband aan voor de periode van zeven jaren. [4]

Vlissingen, ca 1600. Ets, 22,7×29,4 cm. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-2003-521

Admiraliteit als werkgever

Voor Zeeland was de admiraliteit een grote werkgever. Honderden gezinnen dankten hun bestaan eraan. Oorlogsschepen werden in Zeeland gebouwd, uitgerust en – na terugkomst uit zee – hersteld. Timmerlieden, touwslagers, zeilmakers, schrijnwerker, schilders, smeden, bierbrouwers, bakkers, buskruitmakers, chirurgijns, en vele anderen verdienden zo de kost in oorlogstijd.

De invloed van de admiraliteit ging nog verder omdat zij niet alleen belast was met de oorlogsvoering, maar ook met de inning van de belasting op de in- en uitvoer van goederen, de zogenaamde convooi- en licentgelden.
De gelden werden geïnd door medewerkers van douanekantoren in Zeeland, Holland, Brabant en Vlaanderen.

Tientallen Zeeuwse oorlogsschepen controleerden vanuit de havens van Vlissingen, Veere en Zierikzee het scheepvaartverkeer. Ze bewaakten niet alleen de Zeeuwse binnenwateren, maar ook de monding van de Westerschelde en de Vlaamse kust. [5]

Controle van declaraties

Over de dagelijkse gang van zaken, aan wal en op het water, is veel te vinden in de financiële administratie van de Admiraliteit in Zeeland. Deze administratie is bewaard gebleven in het archief van de Rekenkamer Zeeland, in het Zeeuws Archief te Middelburg.

Geneesheer met in zijn handen een pincet en een miniatuurhart. Detail uit een prent van Johann Gelle, gravure, 36,6×28,9 cm.,1609. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1889-A-14296.

Het gaat niet alleen om rekeningen en deelrekeningen maar ook om bijbehorende stukken. Daaronder bevinden zich gedetailleerde declaraties van de chirurgijns die medische zorg verstrekten aan opvarenden in Vlissingen, Veere en Zierikzee. [6]

Een declaratie werd pas uitgekeerd nadat deze door verschillende handen was gegaan. In het geval van chirurgijns was goedkeuring vereist van de chirurgijn-generaal, vanaf 1676 Steven van Dale, in 1584 opgevolgd door François Halez (tot 1602). [7]

De chirurgijn-generaal was tevens chirurgijn van de bevelhebber van de Zeeuwse oorlogsvloot, tot 1600 luitenant-admiraal Justinus van Nassau, bastaardzoon van Willem van Oranje.

De declaratie met bijlagen van Borsselaer ging na goedkeuring door Halez, naar twee gecommitteerde raden ter Admiraliteit, en werd pas na hun ondertekening uitbetaald.

De declaratie van een chirurgijn bestond uit:

  • een verzoek tot uitbetaling
  • per gewonde een beschrijving van de behandeling
  • per gewonde een verklaring van de kapitein
  • een verklaring van ontvangst van het gedeclareerde bedrag

Chirurgijn Gillis Borsselaer uit Vlissingen geeft meer informatie over zijn patiënten dan zijn collega’s. Daarom is voor dit artikel gekozen voor de vroegst bewaarde rekening met bijlagen van Borsselaer. Met behulp van deze archiefstukken is het mogelijk een beeld te schetsen van de medische zorg voor opvarenden van de marine aan het einde van de zestiende eeuw.

11 patiënten onder de loep

Het gaat om de rekening die hij 14 februari 1591 indiende en waarin hij beschrijvingen geeft van 23 patiënten. De mannen behandelde hij gedurende drie maanden, van november 1590 tot en met januari 1591. [8]

De 23 patiënten waren gewond geraakt door vijandelijk vuur (4), tijdens het enteren van de vijand (2), omdat de eigen wapens ontploften (3) of tijdens het scheepswerk en dus niet tijdens een directe confrontatie met de vijand (14).
De mannen waren afkomstig van de schepen van acht Vlissingse kapiteins: Vincent Pietersz. Schuijen, Cornelis Leijnsz. Leest, Adriaen Gillisz. Winter, Jan Prater, Tobias Jansz., Jan Pietersz. Kele, Legier Pietersz. en Michiel van Trappen gezegd Banckaert.

Voor dit artikel is een selectie van elf patiënten gemaakt. Chirurg Paul Sars heeft de declaraties van chirurgijn Borsselaer aan een onderzoek onderworpen. Hij geeft – voor zover mogelijk – een hedendaagse diagnose per patiënt, beschrijft de ernst van de verwondingen, geeft een prognose, en beoordeelt of de tijd die de chirurgijn opgaf om zijn patiënten te genezen redelijk is.

Medische kennis en onkunde

Chirurgijn en auteur Ambrosius Paré op 75-jarige leeftijd in 1584. Gravure, 19,3×13,5 cm., door Gillis Horbeck. © The Trustees of the British Museum. CC BY-NC-SA 4.0

De kennis van de medische zorg aan het einde van de zestiende eeuw is zowel beperkt als uitgebreid te noemen. Er was een groot onderscheid tussen de geneesheren die gestudeerd hadden aan een universiteit, en de chirurgijns die hun kennis hadden vergaard in de praktijk. De eersten opereerden niet, de laatstgenoemden wel. Veel chirurgijns startten hun opleiding als barbiersknecht en of als scheepschirurgijn en vestigden zich daarna als chirurgijn.

Lang niet iedereen kon lezen of schrijven aan het einde van de zestiende eeuw, maar Borsselaer wel. Waarschijnlijk was hij in het bezit van het medische werk van Karel van Baten, Ambrosius Paré en of Andreas Vesalius, want hij legt in zijn beschrijvingen een grote anatomische kennis aan de dag en zijn Nederlands bevat Latijnse termen.

Titelpagina van ‘De Francoysche Chirurgie’, door Jacques Guillemeau, vertaald door Carel van Baten, uitgegeven in Dordrecht, 1598. © The Trustees of the British Museum. CC BY-NC-SA 4.0

Paré’s belangrijkste vernieuwingen betreffen de behandeling van schotwonden en de amputatietechniek. Zijn boek in het Frans verscheen al in 1545, maar kreeg niet veel bekendheid. Carel van Baten publiceerde van Paré’s boek een Nederlands uittreksel in 1590 en een volledige vertaling in 1592. Vesalius publiceerde in 1543 een zevendelig anatomieboek in het Latijn. Het boek kreeg zoveel navolging dat de Latijnse benamingen van lichaamsdelen de standaard werden in de anatomie. [9]

Wondendrank

Haaks op Borsselaers aandacht voor de anatomie lijkt de wondendrank te staan, waarop hij telkens grote nadruk legde. Zo beweerde hij zijn patiënten te genezen met kostbare dranken, in tegenstelling tot andere chirurgijns.

In het begeleidend schrijven bij de declaratie schreef hij diverse personen genezen te hebben ‘deur grooten cost, moyte ende traveijl, overmits hy suppliant niet en is practiseerende ende cureerende deur zeker zalve ofte olije oock niet gebruuckende eenighe wieken in wat wonden ’tzelve zoude moghen wesende ghelyckerwys als ander zerugiens zijn doende’.

Chirurgijn in zijn praktijk. Detail uit een Duitse centsprent, ca 1610. © The Trustees of the British Museum. CC BY-NC-SA 4.0

Borsselaer verklaarde dus geen zalven of oliën te gebruiken en de wond ook niet dicht te stoppen of te verbinden (‘wieken’). Hij benadrukte zijn patiënten uitsluitend met een kostbare drank te genezen: ‘maer alleendelyck cureerende deur zeker drancken zonder meer dewelcke niet zonder grooten cost en zyn becommelyc’.

Vijand versus scheepswerk

De zwaarste gewonden vielen meestal in directe strijd met de vijand. Tijdens beschietingen konden opvarenden zich verschuilen achter de houten scheepsboorden, of achter de ‘maerscleeren’. Dit waren zeildoeken of huiden die tegen de scheepsboord tussen het voor- en achterkasteel van de schepen waren gespannen. Ze werden ook rondom de kraaiennesten halverwege de masten aangebracht.
In de praktijk boden ze weinig bescherming. De bloedvergieten aan boord van de oorlogsschepen waren berucht. Door rondvliegend hout van het schip en ijzer van ontploft geschut was de kans op verwondingen in de oorlogsvoering te water veel groter dan bij de oorlogsvoering te lande.

Toch raakte het merendeel van de 23 opvarenden uit de rekening van Borsselaer gewond tijdens het gebruikelijke scheepswerk; maar liefst veertien bemanningsleden liepen verwondingen op. Blijkbaar was dit normaal; Borsselaer wees hierop toen hij de Admiraliteit in 1608 voorstelde zijn contract nogmaals voor zeven jaar te verlengen. Hij benadrukte dat er ‘nog dagelicx veele zware accidenten in schipswerck voorvallen’, bijvoorbeeld ‘in ’t opwinden van den anckers’ en ‘in groote stormen ende onweder’ en hij schrijft dat die ‘accidenten meest in schipswerck toegecomen zijne’. [10]

1. Schot boven middenrif

Menig opvarende werd dus getroffen door vijandelijk vuur. Dat overkwam ook bootsgezel Adriaen Pietersz. Kruise. Hij deed in juni 1590 dienst aan boord van kapitein Vincent Pietersz. Schuyen. Het schip patrouilleerde voor de Vlaamse kust toen het op 28 juni voor Duinkerken werd beschoten.

Een musketkogel trof Kruise in zijn linkerzij boven het middenrif. De kogel ging voor de wervelkolom langs en verliet het lichaam via de rechterzij.

... als dat Adriaen Pietersz. Kruise ... van de viant voor Duynkerkcen met een musket geschooten is geweest ...

— kapitein Vincent Schuyen, over de gebeurtenis op 28 juni 1590

Gillis Borsselaer beschrijft de baan van de kogel als volgt: ‘(…) boven den septim. transversum ingaende door de musclen die den rugghe roeren voorts door een ribbe des thorax ende door den spina dorsalis uutcomende door een ander ribbe ende muscul des thorax aen de rechtersyde des thorax wesende een wonde penitrant soo men ghesien heeft aen het sanguis coagulatum, het welcke tot neghen daghen lanck ten monde uutgheloopen heeft, met welcke tot schoote, hy terstont lam ghevallen is aen hooft armen ende beenen (…)’. Kruise raakte dus dadelijk buiten westen en nadat hij was bijgekomen, bleef hij negen dagen lang bloed ophoesten.

Paul Sars: ‘De kogel heeft de ribben gebroken en de longen doorboord, maar alleen de buitenkant ervan, daar bevinden zich kleinere bloedvaten. Kruise hoestte wel bloed op, maar bloedde niet dood, zoals gebeurd zou zijn als de kogel de grote bloedvaten van de longen, de aorta of grote holle lichaamsader had geraakt. Hoewel de chirurgijn schrijft dat het ruggenmerg werd geraakt, zal de kogel die niet vol getroffen hebben. Dat zou Kruise niet hebben overleefd en bovendien zou hij direct verlamd zijn geweest aan beide benen. Wellicht werd het merg wel gekneusd, waardoor de zenuwen even werden uitgeschakeld. Al met al heeft hij heeft heel veel geluk gehad.’

Borsselaer beschrijft hoe hij de patiënt met zijn ‘wondendranck’ en met gods hulp weet te genezen. Sars: ‘Tegenwoordig zouden deze schotwonden waarschijnlijk op de OK (operatiekamer) zijn verzorgd, eventueel met thoraxdrains aan beide zijden.’ Een thoraxdrain heeft als doel vocht of lucht die zich tussen het longvlies en borstvlies aan de binnenkant van de borstkas bevindt, af te zuigen (draineren) via een kunststof slang.

Het zat Kruise echter niet mee. Net genezen viel hij achterwaarts in een tobbe, waarbij hij zijn pijnlijke ribbenkast opnieuw lelijk bezeerde. Borsselaer gaf op twaalf weken nodig te hebben gehad voor de genezing. Sars vindt dat geloofwaardig: ‘Het gaat om groot en ernstig letsel, maar op den duur is er waarschijnlijk goed herstel, mits er geen vreemd lichaam in de weke delen was achtergebleven. Dat zou blijvende infectie veroorzaken.’

2. Schot in bovenbeen

Een blijvende verlamming aan de rechtervoet van adelborst (officier in opleiding) Jan Adriaensz. werd veroorzaakt door een kogel uit een vijandig roer die het bovenbeen doorboorde. Hij werd getroffen in een langdurig gevecht tegen een Engelse kaper, in augustus 1590.

Kapitein Legier Pietersz. verklaarde dat de kogel door diens linkerbeen ging, het been verliet ‘by syn mannelickheit’ en daarna nog een stuk uit het rechterbeen meenam.

... dat Jan Adriaensz., een man van mijn schipsvolck, ... een schoote ghekreghen heeft met een roer, ingaende boven syn knie ... uytgaende by syn mannelickheit ...

— kapitein Legier Pietersz, over de gebeurtenis in augustus 1590

Borsselaer beschrijft de baan van de kogel als volgt: ‘gheschooten synde door het dickte van syn slynckerbeen, ofte femur, ingaende buitensbeens door de buitenste musclen ende senuwen, welcke muscul de seste(?) ghenaempt wert, die den tibia roert, welcke plaetse daer sij aflaet, vleesachtich schynt te syne, ende ghelyck een membrane ofte velleken dat het gheheele diebeen becleet, dese membrane brengdt dickwils perikel bij, in de wonden der die volgende met eenen de senuwen, die uut de vertebren der lenden, ende uut het os sacri. sprijnghen, welcke eerste senuwe in carnea membrana voortloopt lanckx de buitenste syde des femur,daernaer de schoote der tweede senuwe, die in ’t uuterste deel des femur, meestendeel in carnea membrana voortloopt, midsgaders de ader die lanckx het binnenste des femur ende des tibia tot het uuterste des voets met de schuete der tweede senuwe uutghestreckt, oock de derde ende vierde senuwe, door welcke schoote de voors. partijen grootelickx ghedelateert syn, want de schoote ghepasseert ende uutghecomen is door het binnenste des femur, door de membrane ofte tendo der seste muscle, welcke muscle haer beghinsel heeft van het os ijlium, met welcke schoote den voet terstont lam viel, ende alsoo is het selfde loot in het rechterbeen gevloghen, midts gevende een cleyn qetsuer door het cutis, sper fisiael…’.

Borsselaer behandelde de patiënt zeventien weken, maar hoewel de wond binnen een maand genas, kreeg de rechtervoet zijn functie niet terug: ‘ende doerdien de wonden binnen een maent met dranck ghenesen was, soo hebbe ick naer datum, groote moeyte ghehadt met fomiteers ende lyneeren, om te besien offer eenighe confortasie in de voet wilde comen, ghelyck ick noch tot deser uuren doen,…’

Sars: ‘Er is hier sprake van ernstig letsel met blijvende invaliditeit. De patiënt kon zijn voet niet meer opheffen. Het schot is door de weke delen van het linkerbovenbeen gegaan, van lateraal (links) naar mediaal (midden), waar de kogel het vaat- en zenuwstelsel heeft geraakt, met verlamming van de voet tot gevolg.
De kogel ging vervolgens naar binnen in de mediale zijde van het rechterbovenbeen, maar de verwonding van het rechterbeen was veel kleiner dan links. De verlamming van de rechtervoet lijkt blijvend te zijn.
Tegenwoordig zou er een wondtoilet zijn verricht op de operatiekamer, waarbij de wond zou zijn schoongemaakt en dood weefsel zijn verwijderd. Indien mogelijk zouden de bloedvaten worden hersteld, eventueel ook de zenuwen als de schade niet te groot is. Een neurochirurg kan ook in tweede instantie de zenuw herstellen. De behandelingstermijn van zeventien weken is mogelijk wat aan de lange kant.’

3. Haakbus ontploft

Vaak werden ledematen gedeeltelijk afgerukt, maar toch werden deze niet standaard aan boord geamputeerd. Wellicht bezat de scheepschirurgijn of barbier daarvoor niet de vereiste kennis. Ook zal de afstand tot de thuishaven hebben meegespeeld. Borsselaer beschrijft in zijn rekening in ieder geval amputaties bij twee patiënten. In het geval van stuurman Pieter Jansz. is dat niet eenduidig op te maken uit de beschrijving.

... Pieter Jansz., myn stierman, ... den geheelen muys van syn slynckerhant afgheschooten is, mitsgaders den geheelen arm tot den elleboghe te bersten is gesleghen ...

— kapitein Adriaen Gillisz. Winter over de gebeurtenis

Jansz. raakte ernstig gewond aan zijn linkerarm tijdens de jacht op een vijandelijk schip. De stuurman van kapitein Adriaen Winter vuurde zijn haakbus af, maar het wapen ontplofte in zijn handen. Door de kracht van de ontploffing werden de duim en de muis van zijn linkerhand afgerukt. De arm raakte tot aan de elleboog ontwricht.
De barbier of scheepschirurgijn verzorgde de wond, maar niet goed. Eenmaal aan wal meldde de stuurman zich met hoge koorts op 24 oktober 1590 bij Borsselaer. De chirurgijn stelde vast dat zijn varende collega een deel van de spier had afgesneden en dat de arm geheel ontstoken was.

De arm was zelfs zodanig ontwricht volgens Borsselaer dat ‘een ijder bevreest was die het aensaghen, ja in perikel stont te comen tot mortificasie’ (afsterven). In negen weken tijd wist Borsselaer de zeeman echter met ‘drancken ende andere medicamenten’ te genezen.

‘Nu zou de duimmuis, voor zover nog aanwezig, zo beperkt mogelijk worden geamputeerd en de botten zoveel mogelijk worden bedekt met weke delen’, aldus Sars. ‘De uitgebreide botbreuken in de onderarm, die naderhand infecteerden, zouden worden geopereerd, misschien tijdelijk met een uitwendig fixateur of meteen met platen. Er zou een wondtoilet worden gegeven en de patiënt zou langdurig antibiotica krijgen. De behandelingstermijn van negen weken is geloofwaardig, maar de stuurman zal blijvend invalide zijn geweest.’

4. en 5. Een schot schroot

Invalide werden ook een busschieter en een mastklimmer. Zij raakten zwaar gewond aan hun benen doordat zij werden getroffen door een schot met schroot (stukken ijzer). Het gebeurde toen kapitein Tobias Jansz. 14 augustus 1590 met zijn schip voor het fort van Boekhout lag, bij Philippine in het huidige Zeeuws-Vlaanderen.

... welcke yser myn busschieter Harman Harmansz syn recgterbeen in de knie afgenomen heeft ... met het selfde ijser myn maersclimmer Pauwels Joosz. syn gheheele kuijt van onder syn ... knie tot bij syn hiele afgheschoten ...

— kapitein Tobias Jansz. over de gebeurtenissen op 14 augustus 1590

Het bootsvolk probeerde een sloep bij het bolwerk te veroveren. Vanaf het fort werd ‘grof ijser’ oftewel schroot afgevuurd. Dat kostte twee opvarenden hun benen. Busschieter Herman Hermansz. zou zijn rechteronderbeen verliezen en mastklimmer Pawels Joosz. werd ernstig verminkt aan de kuit van zijn linkerbeen.

Borsselaer over busschieter Hermansz.: ‘…syn rechterbeen in de junctuere ofte knie met een grof ijser ghans afgheschooten, soodat het hooft van de groote toffilie, ofte femur, gheheel naeckt ende bloot was…’. Het schroot ontblootte dus het uiteinde van het dijbeen en de knieschijf. Spieren, pezen en aderen werden afgesneden en de grote ader in het bovenbeen (vena femoralis) kwam bloot te liggen. Het onderbeen hing los aan het bovenbeen.

De vreselijke wond zat vol schroot dat grote ontstekingen veroorzaakte: ‘…alsulcken putrefacsie maeckten datter niemant bij ghedueren en conde totter tijt toe dat de separasie geschiet was…’.
De stank van rottend vlees moet vreselijk zijn geweest en Borsselaer klaagde over de moeite die de verzorging had gevergd: ‘ja dat ick qualick volck conde ghecrighen om het been te helpen houden, als ick myn verbant doen souden, want die het been eens ghehouden hadden en conde ick ten tweedemael niet ghecrighen door de putrefacsie ende het leelick aensien…’.
Na de amputatie bleven er botsplinters uit de wond komen, maar na twintig weken verklaarde de chirurgijn de patiënt genezen. Voor de kostbare behandeling declareerde Borsselaer een bedrag van twintig ponden Vlaams.

‘De duur van de behandelperiode lijkt te kloppen, maar tegenwoordig zou het onderbeen waarschijnlijk zijn geamputeerd, omdat het erop lijkt dat de schade aan de weke delen erg groot was’, vertelt Sars. ‘Dat gebeurt via een zogenaamde guillotine-amputatie, waarbij de stomp eerst opengelaten wordt om later secundair te sluiten. Daarbij wordt intraveneus antibiotica toegediend. Het gaat hier om ernstig letsel met blijvende invaliditeit. De patiënt zou nu een bovenbeensprothese aangemeten krijgen.’

Mastklimmer Pawels Joosz. was iets fortuinlijker dan zijn collega Hermansz. De kuit van het linkerbeen van Joosz. werd door het schroot afgerukt. De spieren hingen er los bij, Borsselaer kon het scheenbeen van achteren bijna aanraken. ‘…de splinters staken soms een vyngher lanck in de musclen, soodat ick met groote moeite 10 ofte 12 splinters uutghecreghen hebbe…, …de aders, arteriën, musclen ende senuwen hyngen vyngheren lanck in ende buyten de wonde…’
Ook was hetzelfde scheenbeen van voren verwond en wel daar ‘… op de muscul, die den voet roert…’. Het rechteronderbeen had ook een diepe wond tot op het bot opgelopen. Verder had de mastklimmer een flinke wond in zijn voorhoofd.

Borsselaer betoogde dat hij ondanks de ‘grooten stanck ende putrefacsie’ met gods hulp binnen de tijd van 21 weken de mastklimmer had genezen. Hij verdiende hiermee ruim zestien ponden Vlaams.

‘Een traumatische amputatie van de kuitmusculatuur met open fractuur van scheenbeen en of kuitbeen en een onderbeenfractuur’, vat Sars bondig samen. ‘De wond is later gaan infecteren, waarna de chirurgijn een wondtoilet heeft verricht.
Tegenwoordig zouden alle wonden, ook die in de weke delen van het rechterbeen en aan het voorhoofd, een wondtoilet krijgen. Waarschijnlijk zou het onderbeen extern gefixeerd worden. De mastklimmer zal blijvend invalide zijn gebleven.’

6. en 7. Entering van de vijand

Kapitein Cornelis Leijnsz. Leest had met zijn bemanning getracht een Spaans schip, een zogenaamde habelaar, te enteren. Twee Zeeuwen raakten hierbij gewond. Schipper Cornelis Antonisz. viel tussen de beide schepen in en verwondde zijn rechterarm. Busschieter Thomas Wijt raakte gewond aan zijn vinger en linkerknie.

... Cornelis Anthonisz., myn schipper, ... soo dat syn rechterarm seer gheforceert is gheworden, soo dat hy den selfden arm niet en heeft connen ghebruijken ...

— kapitein Cornelis Leijnsz. Leest over de gebeurtenis in oktober 1590

Beiden bezochten in Vlissingen chirurgijn Borsselaer, die in zijn declaratie vermeldde: ‘Cornelis Antonis., schipper, dienende met capiteyn Cornelis Leyns. Leest, is in de maent van octobris tot mynen huise ghecomen met een qaden arm, dien hij in het abordement van den habelaer ghecreghen hadt, soo hebbe ick chirurgyn bevonden, als dat den muscul, die den arm naer het hooft treckt, welcke beghinsel is nemende van het os occipitij, lanckx den ghanschen hals uut ghestrekt wert ende aen de spina schapula aen het opperste des arms, ende aen dat deel des clavicule die den arm naest is, ingheplant wert, deselfde muscul is door het persen grootlickx gheforseert, soodat hy synen arm niet en heeft connen gheroeren, soo hebbe ick met medicamenten daertoe dienende hem met godts hulpe ghecureert, ende over hem ghegaen den tyt van drie weken ende daeraen verdient 1-10-0 ponden Vlaams’.

Sars maakt uit deze beschrijving op dat de schipper zijn rug en nek heeft gekneusd: ‘Contusie van de weke delen nek, waarschijnlijk M. trapezius. Matig letsel, prognose lijkt goed. Tegenwoordig zou je dat ook conservatief doen met pijnstilling, eventueel fysiotherapie. Drie weken is een reële periode.’

... Tomas Wijt, een van myn busschieters ... loopende lancks de boegspriet om te enteren wert syn vynger afgheclommen, midtsgaders syn slynker knie gans gheforceert ...

— kapitein Cornelis Leijnsz. Leest over de gebeurtenis in oktober 1590

Busschieter Wijt raakte zozeer bekneld dat hij een opgezette knie had en een deel van een vinger moest missen. Borsselaer: ‘Tomas Wijt, busschieter, dienende met capiteyn Cornelis Leyns. Leest, is in de maent van octobris tot mijnen huise ghecomen met een qaet been ende qade vyngher dien hij aen den habelaer ghecreghen hadt, ende hebbe bevonden twee leden van syn vijngher afgeclommen, welcke qetsuere uter see comende, ghemortificeert *vaut*, dit ghesien hebbende, soo hebbe ick de mortificasie gheweert, alnoch was syn knie tusschen beyde de schepen gheclommen, soodatter groote contusie was in de juntuere, te wetene in de knie, want daer presenteerde op yder syde van de knie een apostomasie waermede ick groote moeyte ghehadt hebbe, ende hem ten laesten met gdts hulpe tot ghenesinghe ghebracht ende over hem ghegaen den tyt van twee maenden ende daeraen verdient de somme van 3-0-0 ponden Vlaams’.

Sars: ‘Tegenwoordig zou een wondtoilet worden verricht met bedekking van het bot. Hierbij zou antibiotica worden toegediend. Het gaat hier om matig of klein letsel. De prognose lijkt goed, afhankelijk van welke vinger het betreft. Bij een wijsvinger is er sprake van meer functieverlies dan bij een ringvinger of pink. De behandelperiode lijkt aan de lange kant.’

8. en 9. Kanon ontploft

Het gebeurde nogal eens dat opvarenden gewond raakten door hun eigen wapens die vaak ontploften, door verkeerd gebruik of vanwege de slechte kwaliteit. Dat overkwam constabel Maljaert en hoogbootsman Vincent Christiaensz. op 3 oktober 1590. Zij dienden onder kapitein Schuyen en raakten gewond tijdens een vijandelijk treffen voor Duinkerken.

... is ... Maljaert myn constapel in het afschieten van een ghootelynck naer de viant ... aen de ander side van 't schip ghesmackt ... soo dat syn lendenen ende syn borst te bersten gheperst wiert ...

— kapitein Vincent Schuyen, over de gebeurtenis op 3 oktober 1590

Constabel Maljaert probeerde een kanon af te vuren toen de achterkant ervan in ‘duizend stukken’ sprong. De kapitein beschreef later hoe de constabel door de kracht van de ontploffing naar de andere kant van het schip werd geslingerd. Daar raakte hij zo hard de scheepsboord dat hij zijn lendenen en borst verwondde. Maljaert was ruim een uur buiten westen en toen hij bijkwam kon hij maar met moeite ademhalen.

Gillis Borsselaer: ‘… gheqest op het os sacrum, os yliun: ende ?en femur, die t’samen aennex syn, door den tack der vierder senuwe die haer in de carnea membrana uutspreijt, midsgaders den eersten muscul die den femur roeren syn grootelicks ghedelateert, door het perssen, ja soo gheweldichlick door de groote wichte, die op syn lenden lach, dat door de forse ruptuere was in syn slyncker lieschen, soo groot als een kindt vuyst, soo dat hij ontrent een uure buiten syn verstant ende kennisse was, tot syder kennisse ghecomen sijnde, is bevonden dat hij swaerlick synen adem konde ghecrighen, hebbe ick chirurgyn bevonden dat door den smack van het gotelynck het os pectoris met syn mucronatu cartilago, midsgaders de musclen intercostael gheforseert syn gheweest, ende oock met en twyfele als datter eenighe organe *ytyen*, in den thorax ofte perithonium, eenighe altherasie gheschiet sij, volgende de teekenen daervan ghehadt.’

Paul Sars: ‘Maljaert kneusde of brak zijn bekken en heiligbeen, dat zijn de vijf vergroeide heiligbeenwervels aan de achterkant van het bekken. Daarnaast had hij een grote wond in de weke delen van zijn linkerlies en -dijbeen. Mogelijk was er sprake van een open fractuur. Verder kneusde hij zijn borstkas en borstbeen, waardoor hij maar moeilijk kon ademen. Een fractuur van het heiligbeen of bekken zou nu ook conservatief behandeld worden, dat wil zeggen dat de tijd genezing moet brengen.
Tegenwoordig gaat het bij dergelijk zwaar letsel om industriële ongelukken: de werknemer wordt dan tijdelijk en misschien wel blijvend gedeeltelijk arbeidsongeschikt. De genezingsperiode van negen weken, die Borsselaer in rekening bracht, kan goed kloppen.’

... Vincent Christaensz., hoogbootsmansmaat, met acht quetseuren, te weten twee in syn hooft ende ses in syn beenen ...

— kapitein Vincent Schuyen, over de gebeurtenis op 3 oktober 1590

Het ontplofte kanon dat constabel Maljaert verwondde, raakte ook hoogbootsmansmaat Vincent Christiaensz. Volgens de kapitein liep hij acht wonden op: twee aan zijn hoofd en zes aan zijn benen. De chirurgijn schreef zijn wondendranken voor, maar de wonden wilden pas genezen, nadat de vele ijzersplinters waren verwijderd.
Borsselaer: ‘… gheqest met acht qetsueren, te weten: twee in het os coronalis diep synde tot het pericranium, de ander inde muscul die d’ opperste palpebre is sluitende, item twee qetsueren in het opperste des femur diep door den carnea membrana, alnoch vier qetsueren, op de buijtenste syde des tibranis te weten door de musclen die den voet roeren, penitreerende ontrent drie vingeren breet diep, uut welcke wonden diversche yserkens uutghecomen syn, want soo langhe de yserkens in de wonden waren soo hadde ick groote moeyte om te resolveeren met drancken, door dien in de *ytien* groote conuulse ende inflamasie was, den tyt van drie weken, soo hebbe ick ten laest de ijserkens uutghecreghen ende ben tot consolidasie ghecomen.’

Sars: ‘De hoogbootsman kreeg twee wonden in het voorhoofd, één tot op het botvlies, de ander in het bovenste ooglid. In zijn benen, vermoedelijk de bovenbenen, liep hij diepe snijwonden tot in of op het spierweefsel op. De overige vier wonden bevonden zich in zijn onderbenen, hierbij werden de spieren, die de voeten bewegen, tot ongeveer drie vingers diep doorboord.
Tegenwoordig zou de wond in het behaarde voorhoofd gehecht worden, evenals de wond in het bovenooglid. De wonden in de bovenbenen zouden een wondtoilet op de OK krijgen.
Wanneer er sprake is van botbreuken in de onderbenen, dan zouden deze nu geopereerd worden met platen of pennen. Het bot wordt vervolgens bedekt met weke delen. Ook deze patiënt zou antibiotica krijgen. De termijn van een maand die Borsselaer noemt, kan goed kloppen. Het ging om ernstig letsel, het onderbeen heeft waarschijnlijk blijvend functieverlies. De andere verwondingen genazen waarschijnlijk goed, maar met littekens.’

10. Kapitein bezeert been

Begin december 1591 kwam kapitein Jan Pietersz. Kele uit zee met een ontstoken been. Tijdens een storm was hij op een van de ankers van het schip gevallen. Kele had eerder een schotwond in hetzelfde been gekregen, bij het fort van Liefkenshoek.

Ic capiteyn Jan Pietersz. Schele ... op see sijnde door storm ghesmackt ben met myn been op een ancker dat voor de mast stont ...

— kapitein Jan Pietersz. Kele over de gebeurtenis begin december 1590

Na de val op het anker ontstak zijn been vanaf zijn knie tot aan zijn tenen. Toen hij een bezoek bracht aan de chirurgijn was het been zo dik geworden als het middel van een tien- of twaalfjarig kind.
Borsselaer: ‘…soo hebbe ick het been ghevisiteert, bevindende het selvighe vol qade humeuren ende gheïnflameert van de knie af tot syn teenen toe, oock soo dick als een kind van acht ofte tijen jaren in syn middel kan ghesijn, welcke been in groot perikel stont om te comen tot mortificasie, soo hebbe ick terstont ghesocht de beqaemste middel te ghebruicken, niet teghenstaende soo sijn der twee overtueren in ghecomen, ende hebbe over den selven ghegaen den tyt van 9 weken ende daeraen verdient 4-0-0 ponden Vlaams’.

Sars: ‘Behalve de infectie in de weke delen aan zijn onderbeen, is het been misschien wel gebroken geweest, maar de chirurgijn heeft dit niet geconstateerd, misschien niet eens onderzocht. Het betreft matig tot ernstig letsel. Kennelijk is het been is behouden gebleven, maar waarschijnlijk wel met enig blijvend functieverlies. Tegenwoordig zou een wondtoilet worden verricht met antibiotica via de bloedbaan. De eventuele fractuur zou worden geopereerd. Later zou fysiotherapie volgen. Een periode van negen weken is aannemelijk.’

11. Oogletsel

Mastklimmer Daniël Bernaertsz. bezocht chirurgijn Borsselaer met een dicht en opgezwollen oog. Hij had tijdens het scheepswerk een bootshaak in zijn linkeroog gekregen. Hij bloedde hevig en het oog was zozeer opgezwollen dat hij niet meer kon zien.

... Daniel Bernaertsz., myn maersclemmer, ... met een bootshaeck onversiens in sin slyncker ooghe ghesteken wert ...

— kapitein Michiel van Trappen over de gebeurtenis op 12 januari 1591

Volgens de verklaring van kapitein Michiel van Trappen gezegd Banckaert behield de mastklimmer zijn gezicht, hoewel chirurgijn Borsselaer aanvankelijk vreesde voor blijvend zichtverlies: ‘… Daniël Bernaerts, maersklemmer, dienende met capiteyn Banckaert, is den 12en januari 1591 tot mynen huise ghecomen gheqest in schipswerck, te weten in syn slyncker ooghe ende hebbe bevonden optalmia in het selvighe ooghe, want doordien beide de palpebren vaste gheslooten waren, hadde ick sorghe als dat den pupillam ende cornea midtsgaders den nervus visorius, welcke becleet is, van dura cerebri membrana, ende van temius cerebrimembrana, midsgaders de venen ende arterien die lanckx den nervus visorius loopen, groote schade ende peryckel soude ghehadt hebben doer dien den bootshaeck met fortse in syn ooghe ghesteken was, ende het bloet hem ten ooghen uutliep, soo hebbe ick met sorchfuldicheijt ghoede remedie ghebruyckt ende den passient binnen den tyt van 14 daghen ghenesen ende daeraf verdient 2-0-0’.

Sars: ‘Het is moeilijk op te maken uit de beschrijving of het alleen het ooglid betrof of dat er ook penetrerend letsel van de linker oogbol heeft plaatsgevonden. Tegenwoordig zou je de wond gewoon hechten. Er is te weinig informatie om iets over het herstel te zeggen. In elk geval heeft de chirurgijn niets vermeld over blijvend gezichtsverlies.’

Met de kennis van vandaag

Hoe kunnen we met de kennis van vandaag naar Borsselaer’s werkwijze kijken? Opmerkelijk is dat de chirurgijn met zijn (beperkte) kennis van de anatomie, toch veel belang hechtte aan zijn wondendrank. Wat betekende dat voor de hierboven beschreven elf gewonde opvarenden? ‘Dat de man duidelijk niet van snijden hield’, meent chirurg Sars.

Heeft Borsselaer zijn patiënten echt kunnen helpen? Sars: ‘De beste dokter is moeder natuur. De natuur is vaak mild. Kortom, de tijd zal bijna alle wonden van Borsselaers patiënten hebben genezen’.

‘Het contrast met onze tijd is natuurlijk groot, niet alleen in kennis en vaardigheden, maar ook op het gebied van begeleiding. Tegenwoordig krijgen patiënten met dergelijke ernstige verwondingen begeleiding van een revalidatiearts. Of ze worden tijdelijk opgenomen in een revalidatiekliniek.’

‘Toch moeten we enorm veel respect voor kerels zoals Borsselaer hebben, omdat zij zich met zeer beperkte middelen moesten redden. Zonder antibiotica, beeldvorming en kennis over steriliteit’, besluit Sars

Borsselaer’s loopbaan

De Zeeuwse Admiraliteit moet tevreden zijn geweest met het werk van chirurgijn Borsselaer. Dat mag geconcludeerd worden uit de aanstelling, die alleen hij als chirurgijn voor de tijd van zeven jaar kreeg aangeboden per 1 november 1600. Voortaan dienden alle gewonde bootsgezellen van de oorlogsschepen uit Vlissingen zich te begeven naar de praktijk van Borsselaer. [11]

Aan de aanstelling was maandenlang overleg voorafgegaan. In februari 1600 hadden de raadsleden Huyssen en Meyros de opdracht gekregen afspraken te maken ‘tsy met meester Gillis Borsselaer oft ymant anders die zy daertoe den bequamsten sullen vinden’. De chirurgijn stond er niet alleen voor, want als de nood hoog was, mocht hij de hulp van een collega inroepen: ‘mits dat hem de menichte van de curen overvallende dat hy die alleene niet en soude konnen doen, ymande van de andere chirurgyns tot syne hulpe sal moghen nemen’. [12]

Borsselaer aanvaardde de aanstelling. Zijn salaris bedroeg honderd ponden Vlaams per jaar, ‘daervoor hy sal gehouden weesen te cureren alle de capiteynen, officieren, bootsgesellen ende jongens van de scheepen van oirloogen die tot Vlissingen af ende aen varende syn, ende voor den viant ofte in ’s lants dyenst gequetst, ofte geschoten syn sullen, ’t sy te water of te lande, mitsgaders de soldaten op de schepen gestelt. ’t Welcke by attestatie van hueren capiteyn ofte eenige andere officeren sullen doen blycken, hoe ende in wat maniere sy de quetsuere gecregen hebben.’
De chirurgijn kreeg dus de zorg voor alle opvarenden, inclusief soldaten, van oorlogsschepen met Vlissingen als thuishaven, ongeacht of zij gewond waren geraakt aan wal of op het water.

Daarnaast droeg hij speciale zorg voor de zwaargewonde patiënten, die een weekgeld genoten voor speciale voeding: ‘sal oock goede toesight nemen dat nyemant anders van den gequetste ’t weeckgelt toegeeygent en worde, dan die sulcke sware quetsueren hebben dat se geen grouw spyse ofte schipscost en moghen eeten, ende met delicate spyse moeten gevoet worden’. Zodra de patiënt weer scheepskost tot zich kon nemen, werd het weekgeld beëindigd.

‘secunda ossium tabula’, een skelet leunt op een graftombe en houdt een schedel vast. Uit: Thomas Geminus ‘Compendiosa totius anatomiae delineatio, aere exarata’ (London, 1st ed. 1545). © The Trustees of the British Museum, CC BY-NC-SA 4.0

Een andere taak was het controleren van de inhoud van de chirurgijnskisten aan boord van de schepen. Zo inspecteerde hij in 1607 de kisten bestemd voor de vier Zeeuwse oorlogsschepen die deel uitmaakten van de expeditie onder Van Heemskerk naar Gibraltar.

Voor Borsselaer bracht de nieuwe aanstelling in 1600 veel nieuwe patiënten. Met als gevolg dat hij niet langer zorg kon verlenen aan burgers van Vlissingen en opvarenden van de Hollandse oorlogsschepen. De stroom gewonden van de oorlogsschepen was eenvoudigweg te groot.

Toen de aanstellingstermijn van zeven jaar beëindigd was, waren de onderhandelingen over een wapenstilstand met Spanje in volle gang. De besprekingen leidden tot een periode van vrede, het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). In aanloop naar het bestand bezuinigde de Zeeuwse Admiraliteit op personeel en schepen. In mei 1608 werden zelfs zeven oorlogsschepen uit de vaart genomen en de bemanningen afgedankt. [13]

Borsselaer verzocht de Admiraliteit tevergeefs zijn aanstelling voor nog eens zeven jaar te verlengen. Hij kreeg een verlenging voor slechts een jaar. Vanaf 1609 werd bovendien zijn salaris fors verlaagd, van honderd naar 25 ponden Vlaams per jaar. [14]

Maar zijn pleidooi – hij was financieel afhankelijk geworden van de Admiraliteit en het scheepswerk veroorzaakte toch ook in vredestijd veel ongelukken – was tevergeefs. Tot aan zijn overlijden in 1614 werd zijn aanstelling telkens met een jaar verlengd, tegen een jaarsalaris van 25 ponden Vlaams. Voor Borsselaer was de vrede duur.

Noten, publicatiedatum

Gids Admiraliteit in Zeeland

Bekijk de gids met gedigitaliseerde archiefstukken over de oorlogsvoering te water in het begin van de Tachtigjarige Oorlog

hdl.handle.net