Cornelis Goliath aan Johan Maurits van Nassau-Siegen, 12 februari 1642

Transcriptie brief Cornelis Goliath vanuit Algiers naar Johan Maurits 12 januari 1642

Koninklijk Huisarchief, archief van Johan Maurits Nassau-Siegen, inv.nr.1454, folio 171 (14 februari 1642)

[f.192r.]

Doorluchtigen Hoochgeboren graeff
Mijnen Genadichsten Heer

Twijfele niet oft U Excellentie sult door mijne voorgaende brieven dit mijn droevigh
ongeluck hebben verstaen, van door de wille Godes ende de flauherticheijt
der Portugezen ende Engelschen, soo bootsgesellen als passagiers, te zijn gevallen
in handen van dese wreede Turcken, waer met menich duijsent christenen
de grootste mizeriën ben passerende die men met de penne kan beschrijven
grootelijx tot mijn leetwesen, niet soozeer om mijne slavernije (want hetselve
maer tot castijdinge van mijne groote sonden ben achtende) als wel
om den spijt ende het leetwesen, eerst dat wij soo schandelijck sijn genomen,
ten anderen dat wij hier met soo menich duijsent christenen (gelijck men
zeijt van veertighduijsent hier te sijn), deselve sijn verdragende, hebbe al
in ’t sin gehadt ende getrackteert met Gerard Barbier, colonel geweest in Brazijl
soo van de Duijtsche natie als overloopers vanwegen Sijne Majesteijt van
Hispangiën ende ontrent ses weken verleden alhier gehaptiveert, ende meer anders
particulare om ijets in ’t werck te stellen, doch schijnt niet mogelijck doordien
de christenen alhier (Godt betert) soo valsch sijn dat den een den andere
niet mach vertrouwen ende waer het mogelijck is soeckt te verraden, soodat
den moet ende hoop tot sulx al hebbe verloren, te lande te ontloopen is
onmogelijcken als sijnde het geheele lant in handen der Turcken ende Mouren,
ter zee en is tot noch toe geen gelegentheijt voorgevallen, boven dit alles
een perzoon, wechloopende ende weder gekregen werdende, wert neus ende ooren
afgesneden, nevens vele andere wreede tormenten, soodat de genade Godts
verwachte, verhopende de verlossinge door de eene middel ofte ander.

Uijt ’t vaderlant is ordere gekomen om de rolle te lichten van alle de Nederlantsche
slaven, ’twelcke ick nevens twee Hollantsche schippers met alle
deligentie hebbe gedaen ende deselve aen Sijne Hoocheijt ende de Edele Heeren
Staten nevens een missive overgesonden, Godt geeft hetselve tot een goet
eijnde mach uijtvallen.

Wij hebben alhier verstaen hoe dat Houtebeen in Angola is ingevallen, ’twelcke
ons zeer vreemt dunckt te sijn, aen den pater alsoo U Excellentie hem versekert hadde
dat deselve was gegaen om de landen van den coninck van Spangiën
te attacqueren, welcke hij in het relaes gemaeckt van Uwe Excellentie aen Sijne
Mages.t gesonden heeft verhaelt, aen mij (alhoewel mij niet onbekent is soodanigen
aenslagh niet mach werden ontdeckt ende dickmaels stratagemas werden
gebruijckt den vijandt daerdoor de verblinden) doordien hetselve, namentlijck
dat Houtebeen was gegaen de landen des conincks van Hispangnen
afbreuck te doen, op den predickstoel af was gepubliceert ende dat
hetselve nu anders is bevonden, waerdoor niet alleenlijck ick ende den pater
maer oock meest alle de Portugijsche dagelijx veel verwijts moeten hooren
van de Castilianen ende andere Hispanische slaven, ick, dat de Nederlanders
haer woort niet sijn houdende, alhoewel ick redenen genouch tot defentie bijbrenge,
seggende noch de articulen des vredes in Brazijl niet te hebben
ontfangen, dat hetselve moet geschiet zijn ter begeerte van de xixe ende
de Portugezen, dat sij de vrede met de lutherianen (soo zij ons noemen)
hebben gemaeckt ende dat nu de betalinge genieten die van ons hadden te
verwachten, met veel andere smadige woorden, ’twelck weijnich reputatie
voor U Excellentie ende de heeren bewinthebberen onder der gemeenen mas is gevende
(die gelijck U Excellentie kennelijck is een saeck niet vorder insiet dan de uijtkomste
desselfs), welcke niet hebbe kunnen nalaten U Excellentie te advizeren.

Mijnen perzoon aengaende is dese hoe dat hier gekome zijnde ben door den
baxa ofte vissoreij voor sijn part gekomen alsoo van de acht slaven een
heeft, welcke slavernij de slimste is alhier in Argier (volgens ’t gemeene
seggen) want soo ras in den banhert ben gebracht hebbe niet uijt deselve
uijt mogen komen dan eens, dat mij Hameth Achomet, een van de Turcken
die met de paerden van U Excellentie naer Hollant gingh ende door U Excellentie favor hier
weder is gekomen, daeruijt heeft gehaelt, mij veel vrientschap bewijsende
ende hem seer in de gratie van Uwe Excellentie recommanderende met groote danckbaerheijt ende dat ick uijtgae om te wercken, ’tsij te scheep, operen, ofte
in de jardins te delven, soude anders U Excellentie de aftekeninge van dese plaets
hebben gesonden welcke begonne hebben, doch is mij tot noch toe niet mogelijck
door de korten tijt ende verhaelde redenen.

[f.192v.]

Hiermede naer de groetenisse ende recommandatie van pater Francisco de Vilhena
die mij op dato noch heeft wesen versoecken ende mij veel goets om
Ihr Excellentie wille is doende (volgens sijne macht) ende mijselven ootmoedelijck
te recommanderen in de goede gratie ende favor van Uwe Excellentie, eindige
desen U Excellentie in de genadige protexie des Alderhoochste bevelende die U Excellentie
sooveel voorspoets gelieft te verleenen als deze U Excellentie onderdanichste
dienaer is toewenschende, die altijt is ende sal blijven

Actum Argier des nachts
Den 12en janwarii anno 1642

U Excellentie dienstwillige ende altijt bereijden
dienaer Cornelis Golijath.

Meer lezen

Bovenstaande transcriptie maakt deel uit van het achtergrondverhaal over Cornelis Goliath, wereldberoemd kaartmaker in Zeeland en Zuid-Amerika

/zeeuwse-verhalen/cornelis-goliath-1617-1660-wereldberoemd-kaartmaker-in-zeeland-en-zuid-amerika