Stad Veere in jaartallen

Veere speelde ooit een belangrijke rol in het ontstaan van Nederland. Later raakte het stadje in verval. Inmiddels is de welvaart teruggekeerd: de vesting werd opgeknapt en trekt nu vele toeristen.

Veere is ontstaan in de tweede helft van de dertiende eeuw. Een oorkonde uit 1282 is het eerste schriftelijke bewijs dat de plaats die later Campvere of Veere wordt genoemd al bestaat.

In dat jaar droegen Wolfert van Borsele, ambachtsheer van Zanddijk, en zijn vrouw Sybille een aantal van hun bezittingen in het ambacht Zanddijk op aan gravin Beatrix, de vrouw van graaf Floris V. Vervolgens ontving Wolfert het weer in leen terug.

Het ging hier om hun kasteel Zandenburg, een watermolen, een molenwater, een haven met het recht op havengeld, de havendijk en alle percelen tot 180 meter vanaf deze havendijk, de tegenwoordige Kaai.

Campvere en kasteel Zandenburg

In de nederzetting Campvere, genoemd naar aanlegplaats van het veer naar Campen op Noord-Beveland, vestigden zich vissers, ambachtslieden en handelaars. In de jaren vanaf 1296 waren Veerenaren actief bezig met de wolhandel vanuit de Engelse havenplaatsen Boston en Newcastle.

In 1318 bevinden zich Lombarden te Veere. Het waren onzekere tijden. Juist in 1296 werd Floris V vermoord. Wolfert van Borsele wist zich op te werken tot de machtigste edelman in het graafschap Holland en Zeeland door de zoon van Floris, graaf Jan, enige jaren vast te houden op kasteel Zandenburg.

Wolfert werd in 1299 te Delft vermoord door jaloerse Hollandse edelen. De naam en faam van de Van Borseles en hun nederzetting Veere was gevestigd.

Verkrijgen van stadsrechten en groei tot bloeiende handelsstad

Vóór 1339 is Veere van het ambacht Zanddijk afgescheiden. In 1339 wordt Veere als vrije heerlijkheid omschreven terwijl Wolfert III van Borsele voor het eerst heer van Veere wordt genoemd.

Op 13 april 1341 verkrijgt hij voor ‘syne vrienden van het dorp Veere’ tolvrijdom van de graaf in heel Holland en Zeeland. In deze periode kwam er een eigen lokaal bestuur en werd in 1348 begonnen met het bouwen van een stadsmuur.

In datzelfde jaar stichtte Wolfert een eigen parochiekerk in Veere. Aan de Kaai, de Markt en de Oudestraat verrezen koopmanshuizen met pakhuizen en kantoren.

Op zondag 31 mei 1355 bepaalde de graaf dat lakennijverheid alleen in Middelburg, Westkappelle, Domburg, Vlissingen en Veere moch worden bedreven en ‘in andere steden op Walcheren die vrijhede hebben’. Hier wordt Veere dus gelijkgesteld aan de Walcherse steden met volledig stadsrecht.

Uit deze tijd dateerde waarschijnlijk ook de ongedateerde keur met 35 artikelen uit een handschrift van circa 1500 door de heer van Veere aan die van Veere gegeven. Hierin wordt Veere nog wel dorp genoemd maar de bepalingen zijn afwijkend van het Zeeuwse landrecht en zijn te typeren als een stadsrecht.

Veere mocht zich vanaf 1355 met recht een stad noemen. Het oudst bewaarde stadszegel dateert uit 1386 met als afbeelding een koggeschip in zee, waarboven het wapenschild van de heren Van Borsele en links en rechts twee torens met wildemannen. Dit verbeelde de ideale havenstad voor koggeschepen.

Kooplieden die met deze diepgaande handelsschepen langs de Europese kusten voeren waren geregelde passanten. De periode tussen circa 1450 en 1558 was de Gouden Eeuw van Veere. In deze tijd werden het stadhuis, de Grote kerk, de cisterne, vestingwerken, waaronder de Campveerse Toren, gebouwd.

Geslacht Van Borsele

De heren en vrouwen van Veere in deze tijd waren Hendrik van Borsele, Wolfert van Borsele, Anna van Borsele getrouwd met Filips van Bourgondië, Adolf van Bourgondië en Maximiliaan van Bourgondië. Hun bezittingen, met bijbehorende inkomsten, bevonden zich in Zeeland, Holland, Brabant, Frankrijk en Schotland.

Zowel Hendrik als Wolfert hadden hun macht en invloed weten uit te breiden tot ver over de grenzen van Veere. Hendrik bezat grote ervaring op maritiem gebied en genoot internationaal aanzien. Zijn zoon Wolfert, in 1444 getrouwd met Mary Stewart, dochter van de Schotse koning James I, kon voortbouwen op deze positie.

Veere bakermat van de Nederlandse marine

In 1488 werd met de uitvaardiging door Maximiliaan van Oostenrijk van de Ordonnantie op de Admiraliteit een permanente marine-organisatie voor alle Nederlanden gesticht.

Deze nieuwe Admiraliteit der Nederlanden werd vanuit Veere geleid door de admiraal, die sinds 1488 formeel plaatsvervanger werd van de vorst op maritiem gebied. Tot de dood in 1588 van admiraal Maximiliaan van Bourgondië herbergde Veere de Nederlandse oorlogsvloot.

Gesteld kan worden dat in Veere de grondslag werd gelegd voor een steeds professioneler wordende maritieme organisatie. Veere kan de bakermat van de Nederlandse en Belgische zeemacht worden genoemd.

Markizaat Veere

De Veerse heren behoorden tot de hoge edelen. Keizer Karel V verhief in 1555 als dank voor de betoonde loyaliteit Veere tot markizaat en Maximiliaan tot markies. Met de dood van Maximiliaan van Bourgondië in 1558 verloor de stad een uitbundig levende edelman en daarmee de positie als hofstad.

Na het opmaken van de rekening bleken er meer schulden dan baten te zijn en moest het markizaat worden verkocht aan koning Filips II.

De stad telde in deze periode circa 4000 vaste inwoners. Veel Veerenaren verdienden goed aan het uitrusten van de oorlogsschepen. Voor de opslag van wapens en munitie was een arsenaal nodig. Dit eerste zeemagazijn in de Nederlanden werd gebouwd in 1564.

Schotse stapel

Vanaf het begin van de vijftiende eeuw deden Schotse kooplieden regelmatig de stad aan. In 1541 werd Veere de enige officiële plaats in de Nederlanden waar Schotten hun goederen permanent op de markt konden brengen.

De privilege, het zogenaamde stapelcontract, werd om de twintig jaar vernieuwd. De Schotten leefden hier onder hun eigen rechtsregels, hadden de beschikking over een eigen gemeenschapshuis, het zogenaamde Schotse Natiehuis, een kerk en een begraafplaats. Daarnaast genoten ze belastingvrijheid.

Gereformeerd bolwerk

In een door buitenlandse handelaars drukbezochte haven als Veere en met een internationaal georiënteerd hof van Zandenburg kwamen de Veerenaren al snel in contact met de nieuwe leer van Luther en andere reformatoren.

Het bezoek van de koning Christiaan van Denemarken aan Adolf van Bourgondië op Zandenburg in 1523 en 1524 wordt gezien als het eerste contact met Lutheranisme in Zeeland. Ketterverbrandingen en aanscherping van de regels deden een aantal Veerenaren besluiten om te vluchten.

De pastoor van Veere Johannes van Miggrode bekeerde zich tot het Calvinisme en nam de wijk naar Engeland.

Zeeland was in deze periode het toneel van strijd tegen de Spaanse overheersers. Als derde stad, na Den Briel en Vlissingen, sloten de inwoners van Veere zich in mei 1572 aan bij de partij van Willem van Oranje.

De katholieke inwoners namen de wijk of bekeerden zich en de protestantse vluchtelingen kwamen weer terug. Vanaf 1574 kreeg de stad Veere een stem in de Staten van Zeeland.

Handel op Oost- en West Indië

In de jaren 1598-1602 werden vanuit verschillende havensteden vloten met bestemming Oost-Indië uitgereed. Hiervoor werden in deze plaatsen compagnieën opgericht die elkaar om het hardst beconcurreerden.

Een van deze vennootschapen was de Veerse Compagnie van Verre, opgericht door Balthasar de Moucheron. De Moucheron werd namens de stad Veere bewindhebber in de Kamer Zeeland van de VOC. In 1603 ging hij bankroet en vertrok zonder een spoor achter te laten.

De eerste reis door Nederlanders naar Atjeh op Sumatra werd in 1598 vanuit Veere ondernomen. Deze ontdekkingsreis onder leiding van Cornelis de Houtman en de daaropvolgende van 1600 en 1601 onder leiding van Joris van Spilbergen waren van groot belang voor de latere handelsvaarten vanuit Nederland.

Met deze reizen worden de lijnen uitgezet voor de verovering en exploitatie van gebieden in de Oost en de West. Dit zou resulteren in de uitbuiting van de inheemse bevolking en het invoeren van slavernij. Veerenaren waren in de daaropvolgende twee eeuwen betrokken bij slavenhandel.

Adriaen Valerius

Binnen de muren van Veere woonden in deze tijd circa 3.500 inwoners. Hieronder de familie Van Reigersberg en Adriaen Valerius. Maria van Reigersberg trouwde in 1608 in de Grote kerk van Veere met staatsman Hugo de Groot. Zij heeft de geschiedenisboeken gehaald vanwege de list haar man uit gevangenis Loevestein te laten ontsnappen in een boekenkist.

Adriaen Valerius is beroemd geworden door het boek Neder-landsche Gedenck-clanck dat in 1626, een jaar na zijn dood, werd uitgegeven. Het is een verhaal over de oorlog met Spanje waarbij de schrijver elke episode laat volgen door een lied.

Sommige daarvan zijn wereldberoemd geworden. Het bekendste is het Wilhelmus, het Nederlandse volkslied, waarvan de melodie waarop het nu nog gezongen wordt door Valerius is gecomponeerd.

Oranje Veere

Na de koop van het markizaat Veere in 1581 kon de prins van Oranje zich tooien met de titel markies van Veere. Sinds dat jaar tot op heden is de titel markies/markiezin van Veere in bezit van het huis van Oranje-Nassau.

Na de moord op Willem van Oranje in 1584 werd het markizaat van Veere toegewezen aan zijn zoon Maurits, vervolgens aan Frederik Hendrik, Willem II en Willem III.

Als onderdeel van het uitgebreide domeinbezit van de prinsen van Oranje, nam de directe band met de markiezen af. Het brandpunt van de politieke en economische macht lag vanaf die tijd in het gewest Holland.

In de Staten van Zeeland waren de stadhouders Eerste Edelen. Als markiezen van Veere en Vlissingen hadden drie van de zeven stemmen in dit belangrijkste Zeeuwse bestuurscollege: één als Eerste Edele en twee voor de steden waar zij de stadsbesturen benoemden.

Na de dood van Willem III in 1702 werd door leden van de Staten van Zeeland geprobeerd het markizaat op te heffen. Het moest volgens de regenten afgelopen zijn met de voorrechten die de Oranjes hieraan meenden te ontlenen. Met de steun van de Staten ontdeed de stad Veere zich van haar heer.

In 1747 keerde het tij toen Oranjegezinde Veerenaren in opstand kwamen en eisten dat de prins van Oranje in al zijn rechten zou worden hersteld en tot stadhouder, admiraal-generaal en kapitein van Zeeland zou worden uitgeroepen. Deze opstand zou overslaan naar andere steden en bracht Willem IV terug als stadhouder over alle gewesten.

Neergang in de zeventiende en achttiende eeuw

De concurrentie met de Zeeuwse hoofdstad Middelburg en de zeehaven Vlissingen kon Veere in de zeventiende en achttiende eeuw niet meer aan. De contracten die met de Schotse steden waren gesloten, bleken niet altijd te worden nagekomen. Veel handelsgoederen werden direct naar Rotterdam of Dordrecht verscheept.

Door het bezit van een goed bereikbare haven bleef de stad gewild als aanlegplaats voor schepen. Reizigers uit Engeland of Frankrijk zetten in Veere de eerste voet aan wal na een zeereis. De stad werd vaak bevolkt door passagierende zeelieden en reizigers die hun vertier zochten in herbergen, bordelen en kroegen.

De economische neergang zette door en zou funest worden voor de Veerse handel en nijverheid. In 1700 telde de stad nog 2700 inwoners. Vijftig jaar later was dat met duizend gedaald.

Initiatieven om de welvaart te laten herleven, waren niet levenskrachtig. De handel op Schotland was grotendeels in handen van enkele families uit Aberdeen. De visserij bleef een constante factor maar kon niet verder worden uitgebouwd.

De Franse tijd bracht Veere niet veel voorspoed. In 1795 waren de bevrijders nog met vlaggen ingehaald. De politieke omwenteling voltrok zich rustig.

Alles wat herinnerde aan de band tussen Veere en de markies verdween. Het wapenschild van Willem IV op de pui van het stadhuis werd weggebeiteld en de hieronder aangebrachte tekst ‘Gehoorzaamheid Gods en der Overheijt weert der menschen ongeluck’ aangepast.

In plaats van de ‘Overheijt’ moet men de ‘Wetten’ gehoorzamen. Voorrechten verdwenen, zo ook die van de Schotse kooplieden. In 1799 moesten deze de stad verlaten en kwam een eind aan een lange Schots-Veerse handelsrelatie.

Veere als militair bolwerk

Enige welvaart was te danken aan de openlijk bedreven smokkelhandel op Engeland. Om de Franse dreiging in te perken viel in augustus 1809 een Brits invasieleger Walcheren binnen. De stad werd gebombardeerd waardoor schade werd aangericht aan de Grote Kerk en diverse huizen.

Teruggedreven door de Fransen en uitgeput door de ‘Zeeuwse koortsen’ vertrokken de Britten aan het eind van dit jaar.

De Britse invasie maakte duidelijk dat de vestingwerken van Veere niet voldeden tegen vijandelijke aanvallen. In korte tijd werd Veere getransformeerd tot een militair bolwerk waarbij de Grote kerk werd verbouwd tot militair hospitaal.

Franse ingenieurs maakten een plan voor een nieuwe vestinggordel rondom de oude zestiende-eeuwse fortificaties. Keizer Napoleon bezocht op 10 mei 1810 en 28 september 1811 Veere, waar hij de vordering van de vestingaanleg inspecteerde.

Na het vertrek van de Fransen in 1814 bleef de stad met grote schulden achter. De halvering van het inwoneraantal in het eerste kwart van de negentiende eeuw liet middenstanders weinig mogelijkheden over om hun nering uit te oefenen.

Huizen bleven onbewoond, vervielen en werden uiteindelijk afgebroken, evenals de waag, het gildehuis, het gasthuis en het arsenaal. De vestingstatus van Veere werd in 1861 opgeheven, aangezien de stad geen rol meer speelde in de landsverdediging.

In 1866 verliet het militaire garnizoen de stad en waren de meeste militaire gebouwen overbodig en werden gesloopt.

Van dode stad tot toeristenmagneet

Door afbraak en verwaarlozing bood het straatbeeld van Veere een ruïneuze aanblik. De stadsfinanciën waren desastreus en Veere behoorde omstreeks 1870 tot de armste gemeenten van Nederland.

De brokstukken van het roemrijke Veerse verleden belandden in de oudheidskamer van het stadhuis.

Het verhaal van de eens zo welvarende stad die was vervallen tot de doodste van de dode steden trok belangstelling van kunstenaars en toeristen. Schrijvers en schilders legden met pen en penseel het dromerige stedeke vast.

De aanleg van het Kanaal door Walcheren en de bouw van een sluizencomplex bij Veere tussen 1869 en 1872 zorgde voor een betere bereikbaarheid. Deze verbinding was ook de reden dat de Arnemuidse vissersvloot Veere als thuishaven koos.

Toerisme en visserij waren pijlers van de Veerse economie. De stad kwam redelijk ongeschonden de Duitse bezetting door. Bij de bevrijding door Schotse troepen op 6 november 1944 werden honderden Duitsers krijgsgevangen gemaakt.

Na de aanleg van de Veerse Dam in 1961 verloor Veere zijn directe verbinding met open zee en daarmee de vissersvloot en de veerdienst waaraan het zijn naam te danken had. Rust en vertierzoekende toeristen blijven de stad ieder jaar in steeds grotere aantallen bezoeken. De permanente bevolking binnen de vesting schommelde in het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw rond de 300 inwoners.