Voormalig marineschip bestemd tot inrichting voor minderjarige TBS’ers

Ron van Maanen, senior informatiebeheerder

Het wachtschip Noord-Brabant moest rond 1922-1923 een inrichting voor minderjarige TBS’ers worden. Het had toen al twee decennia als oorlogsschip gediend.

Alleen in Den Helder ligt nu nog een wachtschip van de Koninklijke Marine. Dat is anders geweest. Vlissingen heeft tot na de jaren vijftig van de twintigste eeuw ook een eigen wachtschip. Soms kan het nog zelfstandig varen, soms ligt het afgemeerd langs de wal zonder eigen machines.

Gebouwd in Vlissingen in 1897-1900

Van alle wachtschepen die hier gelegen hebben, is de Noord-Brabant de bekendste. De Kon. Mij. De Schelde bouwde haar tussen 1897 en 1900. Het schip kreeg veel aandacht, ook in het buitenland. Het lukt De Schelde echter niet haar aan landen als Duitsland, Rusland en Japan te slijten.

Het originele uiterlijk als actief oorlogsschip. Tekening Alexander Mari van Maanen.

Project van het ministerie van Justitie

Na trouwe dienst, ook in Nederlands-Indië, wilde de marine van het schip af. De nieuwe eigenaar werd het ministerie van Justitie. Daar had men een nieuwe bestemming voor haar bedacht: een logementschip voor minderjarigen ter beschikking gesteld van de regering. Alleen ontbrak het justitie aan geld. Het project werd stopgezet en het schip opgelegd. Op 23 december 1925 werd het teruggegeven aan de Koninklijke Marine.

Over het hoe en wat als beoogd logementsschip voor Justitie is in de literatuur niet veel geschreven. Het archief van de Vlissingse burgemeester C.A. van Woelderen (T482.3) biedt meer informatie.

Jongens van de Ruijter

In 1922 is de vereniging de Jongens van de Ruijter opgericht. Deze vereniging waarbij Van Woelderen nauw betrokken is, wil het rijksopleidingsschip Noord-Brabant wel exploiteren. Met andere woorden: het schip bood niet alleen een huisvesting maar ook een opleiding voor 50 jongens geplaatst onder rijksvoogdij (zeg maar TBS’ers). De bedoeling is haar af te meren in Vlissingen.

De Nederlandse Redersvereniging ondersteunde het initiatief en wilde bestuursleden leveren. Ook Waller, directeur van Stoomvaart Maatschappij Zeeland, trad aan als bestuurslid. Het ministerie van Justitie bemoeide zich officieel niet met het initiatief, dat kreeg Van Woelderen te horen. Eerst moest het Algemeen College voor het Rijks Tucht- en Opvoedingswezen rapport uitbrengen

Afschrikwekkende begroting

De concept jaarlijkse exploitatie begroting bedroeg ƒ 83.900. Men ging ervan uit dat het schip met een complete inventaris wordt overgedragen, de bestaande tuigage wordt versimpeld tot wat nodig is voor de opleiding en het Loodswezen zou een volledig uitgeruste kotter overdragen. Er lagen toen een aantal kotters opgelegd en men wilde graag drie sets zeilen hebben. Een dergelijke set was destijds zeer duur en men wilde voorkomen dat zij tegen lage prijzen werden verkocht.

Het hoge bedrag werkte afschrikwekkend. Terwijl het niet het streven was alles zo mooi mogelijk en de nieuwste snufjes op onderwijsgebied te leveren. Het ging alleen om de goedkope, bruikbare jongens.

Nautische opleiding

Het moest een nautische opleiding worden met lessen in roeien, gymnastiek, splitsen, knopen en andere zeemanskennis. Voor zowel het onderwijs als de dagelijkse gang van zaken steunde men zwaar op de medewerking van de marine. Zo moesten standaard timmer-, smeed- en montagewerkzaamheden tegen kostprijs worden uitgevoerd door marinemensen.

De vaste bemanning werd geschat op 16 man, zoveel mogelijk gepensioneerde marinemensen want dat is goedkoper. De vereniging hoefde alleen het verschil tussen salaris in actieve dienst en het pensioen op te hoesten. Aan te trekken zijn 1 commandant, 1 chef d’equipage, 2 bootslieden, 2 onderofficieren, 6 matrozen, 1 schrijver, 1 bottelier-hofmeester, 1 kok en een bijkok.

De vaste kosten werden begroot op ƒ 49.800,-. Hier bovenop kwamen de kosten voor de opleiding en verpleging van jongens ten bedrage van ƒ 34.100. Per jongen werd bijvoorbeeld een bedrag van 23 cent uitgetrokken voor de dagelijkse voeding. Dit was gelijk aan het bedrag van de marine voor een matroos. Aan kleding en kooigoederen was men jaarlijks per jongen ƒ 125,- kwijt.

Toch in Vlissingen

Later kwam de Noord-Brabant toch naar Vlissingen. De matrozenopleiding in Gorinchem kwam naar Vlissingen. Het was een vorm van compensatie voor het verdwijnen van de onderzeedienst naar Den Helder.

De Noord-Brabant als wachtschip in Vlissingen. Tekening: Ron van Maanen.

Na een ingrijpende verbouwing in- en uitwendig meerde in 1926 de Noord-Brabant langzijde de kade in de Eerste Binnenhaven recht tegenover het station. Ook de marinekazerne stond daar. Honderden lichtmatrozen werden hier tot aan de Tweede Wereldoorlog opgeleid. Doordat zij tevens dienst deed als wachtschip kon jaarlijks 200.000 gulden bespaard worden. Bijna de gehele Vlissingse marinekazerne stond ten dienste van de opleiding.

Als we de krant mogen geloven, was Vlissingen een veel betere plek dan Den Helder, zeker vanuit opvoedkundig oogpunt gezien. Dat argument werd ook na de Tweede Wereldoorlog door het Vlissingse gemeentebestuur aangedragen. Met de Noord-Brabant liep het minder best af. In mei 1940 probeerde de bemanning haar te laten zinken. Dit mislukte deels, waarna zij in brand werd gestoken. Het wrak werd nog hetzelfde jaar gesloopt.