Van overlijdensakte naar een ontploffing en een ontsnapping van wachtschip Maas

Ron van Maanen, senior informatiebeheerder

Een zoektocht naar het overlijden in 1849 van de Zierikzeese Adriaan Phernambucq, marinier aan boord van het wachtschip Maas, leidt naar een spectaculaire ontploffing en idem dito ontsnapping.

Bevolkings- en burgerlijke standsregisters zijn dé startbronnen voor de genealoog. Als archivaris hoop je natuurlijk dat het daar niet bij blijft en dat de stamboom verder wordt aangekleed met allerlei feitjes. Zo geven militieregisters [1] bijvoorbeeld interessante informatie over het mannelijke deel van de samenleving en hun dienstplicht, en geven belastingregisters inzicht in het inkomen. Kranten zijn ook bij uitstek geschikt om het beeld verder in te kleuren.

Zeven overlijdens aan boord

Overlijdensakte van Adriaan Phernambucq. Zeeuws Archief, Akten burgerlijke stand, overlijdensakten Vlissingen, scan 67.

In het overlijdensregister van de akten van de burgerlijke stand, gemeente Vlissingen, staan in de maand september zeven overlijdensadvertenties die alle betrekking hebben op mannen afkomstig van het wachtschip Maas. Alle bemanningsleden overleden 20 september om 15.00 uur. Nu kan je volstaan met de datum van overlijden op te nemen in de stamboom, maar wat is er eigenlijk gebeurd?

Met een beetje speurwerk kun je erachter komen wat er om 15.00 uur op 20 september 1849 gebeurde en wat het leven kostte van de Zierikzeese marinier Adriaan Phernambucq en de zes anderen.

Het fregat Maas

Na de Napoleontische periode werd het Koninkrijk der Nederlanden gesticht. Een voor Vlissingen belangrijk besluit was dat de marinewerf te Antwerpen werd opgeheven en dat een nieuwe te Vlissingen zou worden opgericht. Dit is inderdaad gebeurd.

Het werfcomplex werd later door de Koninklijke Maatschappij De Schelde in gebruik genomen. Er kwam ook een wachtschip te Vlissingen liggen. Eigenlijk was het niet meer dan een drijvende kazerne om matrozen en mariniers te huisvesten. [2] Het kwam te liggen in de Dokhaven. In 1842 kwam de Maas naar Vlissingen.

Het fregat Maas was op 15 April 1818 door P. Glavimans op stapel gezet op de marinewerf te Rotterdam en liep op 30 oktober 1822 van stapel. De bewapening bestond uit 44 kanons en de afmetingen waren 163 (op de waterlijn) x 32 x 22,7 voet met een waterverplaatsing van 1460 ton.

Vijf jaar later, tussen 5-30 oktober 1827, werd het schip al geïnspecteerd in het droge of kieldok te Hellevoetsluis op zeeworm, die mogelijk het hout had aangetast. Hellevoetsluis had in tegenstelling tot de Rotterdamse marinewerf net als Vlissingen een droogdok, zij het dat het Jan Blankendok in tegenstelling tot het dok van Perry in een droog en een nat gedeelte kon worden afgescheiden. In 1831 werd de Maas opnieuw gedokt, nu om de koperen dubbelhuid op beschadigingen te inspecteren.

Later dat jaar vinden enkele reparaties plaats. In haar actieve loopbaan voer de Maas onder meer naar de Oost en naar de West. De Middelburgsche Courant d.d. 25 december 1841 meldt dat de Maas liggende te Willemsoord op 31 december buiten dienst werd gesteld. Zij was op 15 mei dat jaar teruggekeerd van Batavia. De Vlissingse Courant meldt op 29 juni 1842 dat de Maas op de 27e uit Den Helder zou vertrekken, gesleept door het marinestoomschip Etna met als bestemming Vlissingen. Hier werd zij als wachtschip in dienst gesteld.

Middelburgsche Courant, 21 juni 1853

Haar commandanten in deze jaren zijn N.L. Koops (in de periode 1-9-1842 – 1-4-1844), J. Enslie (1-4-1844 – 1-10-1844), W. baron de Raet (16-10-1944 – 10-11-1847), J.F. de Kist (10-11-1847 – 1-7-1848) en tenslotte opnieuw W. baron de Raet (1-7-1848 – 16-5-1850). Het schip werd daarna wachtschip en logementschip in Vlissingen en bleef hier tot begin vijftiger jaren in dienst, waarna het in 1853 ten behoeve van sloop te koop werd aangeboden.

Een heftige ontploffing

In de middag van 20 september 1849 vond om 15.00 uur een ernstig ongeluk plaats op de marinebatterij opgesteld op het terrein van de marinewerf. Tijdens het zogenaamde schijfschieten op een op de Schelde drijvende schijf ontplofte een van de kanons.

Zes mannen werden direct gedood, twaalf anderen raakten (zwaar)gewond. De gewonden werden direct naar het hospitaal gebracht, alwaar een van hen alsnog overleed. Een van de gewonden verkeerde met ernstig hoofdletsel in levensgevaar. Kapitein luitenant-ter-zee Van der Hart was licht gewond aan een oog en een hand.

Marinebatterij verwoest

De ontploffing moet inderdaad zeer heftig zijn geweest, gelet op wat de Zierikzeesche Nieuwsbodeop de 24e schreef: “De marine-batterij is in den letterlijken zin verwoest, balken van een gescheurd, de zoldering gebarsten, zware stukken ijzer van het gesprongen kanon, op aanzienlijke afstanden geworpen…”. Onmiddellijk snelden de marine-autoriteiten als schout-bij-nacht Lucas, commandant van de marinewerf en kolonel der artillerie Meyl toe naar de plek des onheil.

De Dokhaven te Vlissingen met onder meer een wachtschip. Zeeuws Archief, Historisch Topografische Atlas Vlissingen inv.nr 1293.

In het hospitaal was chirurgijn-majoor Van Leersum verantwoordelijk voor de verzorging van de gewonden. Alle slachtoffers waren afkomstig van het wachtschip Maas. Tot de doden behoorden de mariniers Hendrik Willem Walbrink (32 jaar, geboren Amsterdam), Pieter van Es (20 jaar, geboren Dordrecht), Adriaan Phernambucq (18 jaar, geboren Zierikzee), Johann Wilhelm Herwig(21 jaar, geboren Frankfurt a/d Main), Adam Krimp (20 jaar, geboren Brummen) en de matrozen Pieter Lens (20 jaar, geboren Gouda) en Christiaan de Bis (20 jaar, geboren te Dordrecht). Tot de gewonden behoorden de mariniers Reuth, Niehorster, Van Basten en Everwijn en tot de matrozen Ponsing, Ganzinga, Speijer, Schamp en Winterman.

Matroos ontsnapt

Twee jaar later haalde de Maas opnieuw de krant, een krant gepubliceerd in Den Helder. In Het weekblad van Den Helder en het Nieuwediep d.d. 7 april werd verslag gedaan van de ontsnapping van matroos Roest. Hij zat opgesloten op het wachtschip in afwachting van de krijgsraad. Hij maakte een gat in het dek van zijn ‘hut’, kwam in de kuil terecht, liep naar de hut van de klerken en stal daar een uniform van een adelborst en een mantel. Vervolgens kon hij zonder dat iemand iets verdachts opmerkte in de nacht van 28 maart op zijn gemak van boord gaan. Nadat zijn ontsnapping ontdekt was, werd zijn hut doorgezocht. Daar vond men het mes en het volgende door hem geschreven spotvers:

Heeren als Roest wil houwen
Dan moet je ijzere hutte bouwen
Want een hut of gat van houdt
Is toch nu of nooit vertrouwd.
Hier is het mes, hier is het gat
Morge ben ik uit de stadt.
Overste! Of je kijkt of ziet
Morge vind je Roest toch niet.

Of zij Roest ooit nog gevonden hebben, heb ik (nog) niet kunnen achterhalen. Op 7 april was hij nog steeds spoorloos. De krant spreekt nog van een wachtschip maar dat is niet correct, zij dient dan al een jaar als logementschip