Een zwarte jongen belandde als verstekeling in 1780 in Middelburg. Onder de naam ‘Swarte Jan’ verliet hij de stad, aan boord van een schip van de Middelburgse Commercie Compagnie. Daarmee raakte hij verzeild in Guyana, aan het begin van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog.
7 mei 1780 arriveerde kapitein Jan Wilton met het schip de Zorg in Middelburg. Aan boord had hij niet alleen suiker en koffie uit Curaçao, maar ook een verstekeling, een zwarte jongen. Hij bracht zijn werkgever, de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC), na aankomst onmiddellijk op de hoogte.
Ronselaar

De directeuren van de MCC informeerden op hun beurt de handelsagenten Johannes en Nicolaas Henriques Stuylingh van de firma Houtschild Stuylingh en Compagnie op Curaçao. Onderaan de brief van 13 juni waarin zij de behouden aankomst van de Zorg en de zakelijke resultaten meldden volgde een PS met de volgende inhoud:
‘U edelen zal apparent bekend sijn dat een swarte jonge zig heeft verstooken in ons schip de Zorg. Bij zijn aankomst hebben wij het oog op hem gehouden, en vermits [hij] in groot gevaar was om door de ronselaar naar Oost Indiën geholpen te worden, zoo hebben wij hem geplaats op ons schip de Watergeus, capitein Cornelis Loeff, gedistineerd naar Angola. Wij zullen bij gelegentheid naar Surinaame schrijven dat dien knaap sijn ontslag kan krijgen om naar huis te keeren indien hij dat verkiest.’
Een zwarte jongen had zich dus verstopt aan boord van het schip de Zorg dat een retourreis Middelburg-Curaçao maakte. Na aankomst in Middelburg liep hij volgens de directeuren het gevaar geronseld te worden als bemanningslid voor een reis naar Oost-Indië. Zij hadden daarom besloten de jongen op een reis van een van hun eigen schepen te plaatsen.
Oploper
Nauwelijks een maand na aankomst verliet de jongen de stad alweer, ditmaal aan boord van het MCC-schip de Watergeus, onder leiding van kapitein Cornelis Loeff. Inmiddels werd hij ‘Swarte Jan’ genoemd en onder die naam werd hij opgenomen in de monsterrol van de scheepsreis. Hij kreeg de rang van ‘oploper’, een rang voor ongeoefende matrozen, en een rang hoger dan scheepsjongen. Als oploper verdiende hij 14 gulden per maand.
Swarte Jan ondertekende de artikelbrief, het ‘arbeidscontract’, met een kruis. Schrijven kon hij dus niet.

Bezittingen aan boord
Bij de monsterrol is een document bewaard gebleven, dat laat zien wat een matroos ‘naar de West’ nodig had. Daaronder een ‘bulzak’ of plunjezak, een deken, veel kleding, tabak en pijpen.

Als verstekeling zal Swarte Jan niet veel bezittingen hebben gehad. Kapitein Cornelis Loeff kocht daarom het nodige voor de jongen in. Bij winkelier Johannes Visbach betaalde de kapitein, onder de vermelding van “Gekogte goederen tot uijtrustinge van de neger genaamt Swarte Jan in dienst sijnde van ’t schip de Watergeus”, voor de volgende goederen: een scheepskist, 4 hemden, 4 lange broeken, 1 blauw ‘baaijtje’, 2 hoeden, 1 ‘boeseroentje’, 4 halsdoeken, 2 paar kousen, 1 naaidoos met garen, 3 tinnen lepels, 1 blikken ketel, 2 pond thee, 1 kistje gemalen thee.
Mensenhandel
12 juni 1780 vertrok het schip de Watergeus met de zwarte jongen naar de kust van West-Afrika. Drie maanden later werd de kust van Angola bereikt. In de daarop volgende drie maanden kocht kapitein Cornelis Loeff meer dan 400 tot slaaf gemaakte Afrikanen. In december liet hij het anker hijsen en verliet het schip de kust.
Na een voorspoedige reis over de Atlantische Oceaan en begon het aan de oversteek over de Atlantische Oceaan. De eerste bestemming, Suriname, werd begin januari bereikt. De kapitein raadpleegde de correspondent in Paramaribo en kwam na een paar weken tot de conclusie dat hij voor goede veilingresultaten beter verder kon varen.
Na drie dagen varen bereikte de Watergeus de kolonie Essequibo. Bij Fort Zeelandia organiseerde de kapitein de veiling van de slaafgemaakten.
Swarte Jan
In diezelfde tijd beantwoordden Jan en Nicolaas Stuylingh op Curaçao de brief van de directeuren uit Middelburg. Zij schreven: “is ons seer lief te verstaan ’t geene u weledelen melden van de swarte jongen die sig heeft verstoken aan boord ’t schip de Zorg, daarvan weeten wij niets – hebbende selfs hier niet gehoord dat een dergelijke jonge hier vermist wierd”.
Het zou jaren duren voordat de brief Middelburg zou bereiken. Dat had alles te maken met de oorlog die de Republiek en Engeland met elkaar voerden. Deze werd bekend als de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1781-1784).
De oorlog resulteerde voor de Middelburgse Commercie Compagnie in gevoelige verliezen. Meerdere schepen van de compagnie werden in beslag genomen. Ook het schip de Watergeus.
De Engelsen komen
Hoe de Watergeus ten prooi viel aan de Engelsen liet kapitein Cornelis Loeff vastleggen, na zijn terugkeer in Middelburg, bij de notaris. Loeff was met aan boord van zijn schip in de rivier van Essequebo toen hij het bericht ontving van gouverneur George Trotz dat de Engelsen bezit hadden genomen van de rivier van Demerary. De kapitein ging daarop naar de wal, naar het fort, waar hij de gouverneur te spreken kreeg. Deze vertelde hem dat de Engelsen in Demerary hadden laten weten dat Engeland in oorlog was met de Staat der Verenigde Nederlanden.

De gouverneur had Loeff verzocht om hulp. Loeff had direct het schip klaar laten maken en had voor het fort geankerd. Ook ter beveiliging van zijn schip en de lading. Daar lag de Watergeus te midden van vele andere schepen, waarvan de kapiteins, en ook Loeff, om beurten naar het fort gingen om te informeren wat hun in geval van een aanval te doen stond. Maar aan wal en in het fort heerste wanorde.
Loeff verklaarde dat zijn schip als een van de eerste schepen gevechtsklaar zou kunnen worden gemaakt. Daarom had hij het scheepsvolk van de andere schepen uitgenodigd om zijn schip te komen versterken. Door hen zijn lading aan te bieden, die wel tienduizend gulden waard was, was het hem bijna gelukt zo’n extra veertig bemanningsleden te werven. De nieuwe opvarenden eisten echter de zekerheid dat indien zij gewond raakten, konden rekenen op steun van de compagnie of de kolonie. Loeff ging daarom opnieuw naar het fort. Daar trof hij enkel chaos. Een echte opdracht kreeg hij ook niet te horen. Ter plekke gaf Loeff daarom het sein aan zijn schip om zo ver mogelijk de rivier op te varen. Dat werd direct door de gouverneur geannuleerd onder het uiten van dreigementen aan Loeff.

Uiteindelijk kreeg Loeff een schriftelijke order van gouverneur Trotz. Daarin was tot in detail vastgelegd wat de kapitein diende te doen wanneer de Engelsen verschenen. Als er bijvoorbeeld meer dan zes schoten met scherp vanuit het fort waren afgevuurd, dan zou de bemanning op de Watergeus ook het vuur openen. En als de vlag op het fort werd gestreken, dan zou ook de vlag aan boord moeten worden gestreken, enzovoorts.
3 maart 1781 verschenen een Engels oorlogsschip en een Engelse schoener bij het fort. Vanaf het fort werd echter niet geschoten, zoals was vastgelegd. Wel ging vanaf de wal een sloep naar het oorlogsschip, die ook weer terugkeerde. De Hollandse vlag op het fort werd gestreken, maar na ongeveer een uur weer gehesen. Ondertussen was per sloep het bericht gearriveerd dat de vlaggen op de schepen gestreken moesten blijven. Met dezelfde sloep kwam een Engelse ‘prijsmeester’ aan boord van de Watergeus.
De dagen erna werd de Watergeus bezocht door Engelse soldaten die, zoals de kapitein verklaarde, zich alleen bezig hielden met ‘stelen en roven’. Op 6 maart 1781 werden alle kapiteins van de Zeeuwse en Hollandse schepen op de rivier gevangen gezet op het Engelse oorlogsschip. Kisten en tonnen aan boord van de schepen werden opengebroken of aan stukken geslagen. Pas op 8 maart, de dag waarop het fort door de Engelsen in gebruik werd genomen, werd kapitein Loeff met de andere kapiteins – van hun bezittingen beroofd – aan wal gebracht.
Hierna werden zij samen met hun bemanningen, voor zover die niet waren gedeserteerd, en hun tot ‘prijs’ verklaarde schepen getransporteerd naar de rivier van Demerary. Of Swarte Jan hier ook bij was, is (nog) niet bekend.
Het lukte Loeff in 1782 terug te keren in Middelburg.
Bronnen
Archief van de Middelburgse Commercie Compagnie
- inv.nr 56.8 volgnr 82, brief uit Curaçao d.d. 14-2-1781
- inv.nr 101 volgnr 80, brief directeuren d.d. 13-6-1780
- inv.nr 1284.5 volgnr 5, artikelbrief begonnen op 30-3-1780
- inv.nr 1284.5 volgnr 6, monsterrol begonnen op 30-3-1780
- inv.nr 1298.1 volgnr 145, monsterrol met inliggende nota van kapitein Cornelis Loeff
- inv.nr 1298.1 volgnrs 149, 150, benodigdheden voor een opvarende naar West-Indië
Archief van de Tweede West-Indische Compagnie (WIC)
- inv.nr 21, scan 310, Notariële verklaring, notaris Andreas Schouten te Middelburg, van kapitein Cornelis Loeff, d.d. 5 maart 1782