Er zit muziek in geschiedenis! Zeeuwse muziekgeschiedenis 16e – 20e eeuw

Van 25 maart tot en met 22 juni 2002 exposeert het Zeeuws Archief te Middelburg documenten en voorwerpen die getuigen van het opmerkelijke muziekverleden van Zeeland. De tentoonstelling is van maandag tot en met zaterdag van 09.00-17.00 uur te zien in de historische keldergewelven van het Zeeuws Archief aan het Hofplein, die eens deel uitmaakten van het woonhuis van Zeelands bekende muziekliefhebber mr. Johan Adriaen van de Perre.

Zeeland kende tijden waarin men gedurende grote delen van het jaar in de herberg op vioolmuziek danste en komische “ballets-pantomimes” en openluchtconcerten met vuurwerk bijwoonde. Zangers en zangeressen brachten geestelijke Nederlandstalige oratoria met uitgebreide bezetting ten gehore en namen deel aan belangwekkende provinciale koormanifestaties. Op een van de grootste Nederlandse orgels, het Bätz-orgel in de Grote Kerk in Zierikzee, werden memorabele orgelconcerten uitgevoerd.

In de tentoonstelling in het Zeeuws Archief betreedt de bezoeker een woonvertrek, dè plaats waar sinds mensenheugenis gemusiceerd werd. Instrumenten en muziekliteratuur in huiselijke kring is een onderwerp dat nog nauwelijks werd onderzocht. Bijzonder is een troostdicht voor kinderen dat omstreeks 1850 door een in Zeeland werkzame belastingambtenaar werd geschreven in een vorm die het mogelijk maakte dat het ook kon worden gezongen. Speciaal voor de tentoonstelling “Er zit muziek in geschiedenis!” werd een melodie gemaakt bij dit ontroerende negentiende-eeuwse gedicht.

Een curieus voorwerp in de tentoonstelling is een stukje lint afkomstig van prinses Louise. Zij bracht in 1786 met haar vader, stadhouder-prins Willem V, moeder en broertjes een bezoek aan Zeeland. Te gast bij Daniël Radermacher op zijn buitenplaats Poppenroede-Ambacht speelde het prinsesje op diens klavecimbel en gaf de gastheer ter nagedachtenis een stukje van het lint waarmee haar muziek was samengebonden.

Tijdens de Gouden Eeuw kwam het musiceren in verenigingsverband als liefhebberij in zwang. De opkomst van de militaire muziekkorpsen geschiedde in de Bataafs-Franse Tijd. Een bekend voorbeeld is het Middelburgs Muziekkorps dat omstreeks 1900 onder de bezielende leiding van Jan Morks grote furore maakte. Van hem zijn onder meer te zien zijn dirigeerstokken en zijn in druk verschenen Zeeuws Volkslied. De negentiende en twintigste eeuw brachten de Zeeuwen grootse uitvoeringen in concertzalen en kerken.

Aan de hand van onder meer composities van in het verleden in de provincie werkzame en hoorbare toonkunstenaars, verklankingen van enkele composities, muziekinstrumenten, portretten en archiefstukken, geeft de tentoonstelling een impressie van de actieve en passieve muzikale belangstelling in de werelden van muziekcolleges van de Zeeuwse steden, privé-personen, organisten en concertbezoekers van de zestiende tot in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Tien componisten staan centraal in de tentoonstelling in de kelders van het Van de Perrehuis: Ghiselin Danckerts, Johan Snep, Pieter Bustijn, Ernst Christian Graf, Willem Lootens, Christian Friedrich Ruppe, Charles Hofmann, Samuel Samehtini, Gerardus von Brücken Fock en Jan Morks. Zij gaven het muzikale leven van de provincie een eigen klank, die tot op de dag van vandaag in de landelijke muziekhistorie doorklinkt.

De expositie werd op donderdag 4 april geopend door Prinses Louise van Oranje Nassau, de enige dochter van stadhouder Willem V, die tijdens een staatsiebezoek van de familie aan Zeeland in de zomer van 1786 op het klavecimbel van Daniël Rademacher speelde. Na afloop schonk de prinses haar gastheer een stukje van het lint waarmee haar muziek was samengebonden. Deze scène werd tijdens de opening nagespeeld in het Zeeuws Archief.