Afrika en Europa eeuwenlang gelijkwaardige handelspartners

Afrikanen en Europeanen waren eeuwenlang gelijkwaardige handelspartners, ook tijdens de periode van trans-Atlantische slavenhandel. Dat zegt docent en wetenschappelijk onderzoeker Angus Dalrymple-Smith. “Het beeld van de sterke Europeaan en de zwakke Afrikaan klopt niet”. Eind 2019 verscheen zijn dissertatie ‘Commercial Transitions and Abolition in West Africa 1630–1860’.

Na zijn studie geschiedenis in het Britse Birmingham belandde Angus Dalrymple-Smith (1976) via een avontuurlijke route in Wageningen, waar hij als wetenschappelijk onderzoeker en docent aan de slag ging bij de universiteit.

Een baan in Londen zegde hij op om Engelse les te gaan geven in Soedan. Daar ontmoette hij zijn Nederlandse partner die in het land werkte voor Artsen zonder Grenzen. Samen reisden ze door de Democratisch Republiek van Congo. De dreiging van een militaire opstand en de komst van hun eerste kind was de aanleiding om naar Nederland te verhuizen.

Oorzaken van armoede

Om een eerstegraads lesbevoegdheid te kunnen halen, voltooide Dalrymple-Smith een master aan de Universiteit van Utrecht. Daarna kreeg hij de kans een promotieonderzoek te doen. Samen met vier andere promovendi begon hij in 2013 bij Wageningen Universiteit aan een groot onderzoek naar de oorzaken van armoede op het Afrikaanse continent.

Het onderzoeksproject met de titel ‘Is Poverty Destiny? Exploring Long Term Changes in African Living Standards in Global Perspective’ werd mogelijk gemaakt door een subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). [1] Het project werd geleid door dr. Ewout Frankema, professor bij Wageningen Universiteit.

Een belangrijk exportproduct van West-Afrika was goud. Op deze kaart zijn per regio exportproducten aangegeven. Zeekaart van de kust van Guinea, ca 1695. Zeeuws Archief, Verzameling Beeld en Geluid, inv.nr 592

Het deelonderzoek van Dalrymple-Smith richtte zich op de economische geschiedenis van de trans-Atlantische slavenhandel aan de kust van West-Afrika. Na vier jaar promoveerde hij in 2017 op ‘Commercial Transitions and Abolition in West Africa 1630–1860’. Daarin staat de handelsexport van West-Afrika tijdens en na de afschaffing van de trans-Atlantische slavenhandel centraal.

Eenzijdig beeld

“De trans-Atlantische slavenhandel geeft een eenzijdig beeld van de Europese handel met Afrika”, zegt Dalrymple-Smith. “Het verhaal is veel gecompliceerder. Behalve mensenhandel was er ook handel in producten en goederen.” Deze handel bleek essentieel voor de veranderingen in de periode van de afschaffing van de trans-Atlantische slavenhandel na 1808.

Het onderzoek betrof drie Afrikaanse kustregio’s:

  • de Goudkust, tegenwoordig een deel van Côte d’Ivoire en het merendeel van Ghana
  • de Bocht van Benin, nu een deel van Ghana, Togo, Benin en een deel van Nigeria
  • de Bocht van Biafra, nu een deel van Nigeria, Kameroen, Equatoriaal-Guinea, Sao Tomé en Principe en een deel van Gabon.

Deze regio’s waren samen goed voor circa 80 procent van de trans-Atlantische handel in slaafgemaakten.

  • Benin, uit: 'Orbis Habitabilis Oppida et Vestitus' ('De steden en kostuums van de bewoonde wereld'), atlas uitgegeven door Carel Allard in Amsterdam omstreeks 1695. Collectie: L. Helmink.

  • Congo, uit: 'Orbis Habitabilis Oppida et Vestitus' ('De steden en kostuums van de bewoonde wereld'), atlas uitgegeven door Carel Allard in Amsterdam omstreeks 1695. Collectie: L. Helmink.

    Rol van archieven

    Door onderzoek te doen in archieven in verschillende Europese landen slaagde Dalrymple-Smith erin grote aantallen gegevens over de handel in zowel mensen als goederen en producten te achterhalen.

    Uit de archiefstukken van archiefdiensten uit onder andere Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland bleek dat de handel in goederen bestond uit goud, ivoor, was, peper, hout en palmolie.

    In Nederland was de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) de grootste particuliere slavenhandelsonderneming uit de achttiende eeuw. Het archief van de MCC is bewaard gebleven en wordt beheerd door het Zeeuws Archief. Sinds 2015 is het MCC-archief online te raadplegen. “De details die te vinden zijn in dit archief zijn ongelofelijk”, aldus Dalrymple-Smith, die bovendien de toegankelijkheid van het archief prijst.

    Voeding van slaafgemaakten

    Lijst van proviand aan boord van het slavenschip Vliegende Faam, 1762. Zeeuws Archief, Archief MCC inv.nr 1177 scan 2.

    Ook voor een onderzoek naar de inkoop van voeding voor slaafgemaakten aan boord bleken de archieven waardevol. Het archief van de MCC toonde aan dat veel voedingsmiddelen werden meegenomen uit Middelburg en slechts een deel van de benodigde proviand werd aangekocht aan de kust van West-Afrika. In tegenstelling tot de Britse schepen. De Britse kapiteins kochten het merendeel van de proviand in aan de kust.

    De verschillen komen voort uit de uiteenlopende handelsgebieden waarop de twee landen zich richtten. De kapiteins van de MCC konden in tegenstelling tot hun Engelse collega’s niet gebruikmaken van een groot aanbod van proviand aan de kust.

    Afrikaanse en Europese handelaren gelijkwaardig

    Belangrijkste conclusie van het onderzoek is volgens de onderzoeker dat de handel niet werd opgelegd door de Europeanen, maar gebeurde omdat de Afrikanen dat zelf wilden. Dalrymple-Smith: “Afrikaanse handelaren bepaalden welke handel werd gedreven, het was bijna altijd hun eigen besluit. Natuurlijk moest er wel een aanleiding of vraag zijn. In Afrika bestond de handel in slaafgemaakten al lang en er is altijd een markt voor slaafgemaakten geweest. Maar de Europese vraag leidde tot de trans-Atlantische slavenhandel en dat had een enorme uitbreiding van het aantal verkochte slaven tot gevolg.”

    Toch waren het de Afrikanen die, ondanks de Europese vraag, de handel bepaalden, aldus Dalrymple-Smith: “Het beeld van de sterke Europeaan en de zwakke Afrikaan klopt niet. Het was geen eenzijdige relatie. Afrikanen en Europeanen waren gelijkwaardige handelspartners”.

    Verandering in machtsverhouding

    In 1807 kwam er een Brits verbod op de trans-Atlantische slavenhandel. Dalrymple-Smith ging na hoe de kustregio’s omgingen met dit verbod. Er bleek sprake te zijn van aanzienlijke verschillen.

    De ene regio beëindigde vrij rigoureus de trans-Atlantische slavenhandel en schakelde volledig over naar goederenhandel. De andere regio stopte alleen onder grote dwang. De verschillen tussen de regio’s zijn volgens de onderzoeker te verklaren uit de geschiedenis, ecologie en maatschappelijke verhoudingen per regio.

    Commercial Transitions and Abolition in West Africa 1630–1860. Dissertatie uit 2019 van Angus Dalrymple-Smith.

    Zo gaven regio’s die voorheen veel grondstoffen hadden verkocht, zoals het rijk van de Asante in Ghana, al snel de export van slaafgemaakten op. In plaats daarvan gebruikten ze slaafgemaakten als arbeidskrachten voor de productie van grondstoffen, zoals goud en palmolie, bestemd voor de export. Regio’s die voorheen geen grondstoffen verkochten, bleven vanwege hun ecologie of politieke structuren zoals het Dahomey-rijk in Benin, slaafgemaakten exporteren.

    De machtsverhouding veranderde pas nadat de Europeanen zich in grotere aantallen in Afrika vestigden. Dat gebeurde vanaf de jaren twintig van de negentiende eeuw. “Tot die tijd was de levensverwachting van Europeanen aan de West-Afrikaanse kust erg laag als gevolg van ziekten zoals malaria en gele koorts. Na de uitvinding van kinine en verbeteringen in de behandeling van tropische ziekten veranderde dat. Het is dus niet zo dat bijvoorbeeld het bezit van vuurwapens of betere vuurwapens de verhoudingen veranderde. Afrikanen bezaten dezelfde kwaliteit vuurwapens als de Europeanen. Voor minder werd er geen handel gedreven”, licht Dalrymple-Smith toe.

    Afrika in een ander licht

    Het beeld van de sterke Europeanen en de zwakke Afrikanen klopt dus niet. Dat is in de academische wereld geen verrassing, maar komt niet overeen met de heersende publieke opinie. “In de Afrikaanse landen zelf is het geen verrassing. In Ghana bijvoorbeeld is er een open debat over de exploitatie van slaafgemaakten voor de binnenlandse handel.”

    Na jaren te hebben gewerkt als onderzoeker en docent aan Wageningen University heeft Dalrymple-Smith definitief gekozen voor de loopbaan van docent aan een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs. Hij geeft les in geschiedenis en is mentor van brugklassers aan het Alberdingk Thijm College in Hilversum. “Ik ben een middelbare schoolleraar. Als leraar ken ik de kinderen jarenlang en kan ik echt iets voor ze betekenen. Op de universiteit geef je zes weken college aan dezelfde studenten. Dat is te kort.”

    Docent en onderzoeker Angus Dalrymple-Smith

    Natuurlijk geeft hij zijn leerlingen les over de trans-Atlantische slavenhandel. Dat daar weinig tijd en aandacht voor is, vindt hij wel begrijpelijk. “Het vak geschiedenis bestaat uit twee uur les per week. Er zou meer aandacht voor de Afrikaanse geschiedenis moeten komen. Er valt zoveel meer te vertellen. In Afrika was veel rijkdom die impact had op de wereldgeschiedenis.” Tijd om Afrika in een ander licht te plaatsen.

    Publicatie Dalrymple-Smith

    De publicatie ‘Commercial Transitions and Abolition in West Africa 1630–1860’ van Angus Dalrymple-Smith is verschenen in de serie ‘Studies in Global Slavery’ bij Uitgeverij Brill. Prijs 121 euro.

    brill.com

    Onderzoek naar slavenhandel

    Het Zeeuws Archief beheert het archief van de Middelburgse Commercie Compagnie, een onderneming die zich in de 18e eeuw toelegde op de trans-Atlantische slavenhandel. Lees meer

    /onderzoek-het-zelf/trans-atlantische-slavenhandel/