Drama en romantiek rond Zeeuwse polder

Een eeuw lang vochten bewoners van de polders op het Oranjeplaatje, in het Sloe tussen Walcheren en Zuid-Beveland, tegen het water. Keer op keer won de zee, totdat 55 jaar geleden de Zeeuwse boer Ko van ’t Westeinde eigenhandig de overspoelde resten inpolderde. Bijzonder, want sinds 1904 was het recht op indijking voorbehouden aan het rijk. Het gevolg was een juridische strijd, een eiland herwonnen op de zee, zaaien én oogsten, en romantiek: twee nieuwe boerderijen voor twee kersverse echtparen.

Boer Ko van het ’t Westeinde was begin jaren vijftig van de vorige eeuw naarstig op zoek naar landbouwgrond. Zijn gezin telde drie volwassen zonen en slechts één kon de familieboerderij ‘de Schelpkreek’ onder Nieuwdorp op Zuid-Beveland overnemen. Hij schreef zich daarom in voor nieuw land in de Noordoostpolder in Overijssel. De uitgifte van grond was daar in 1947 begonnen. Helaas zonder succes.

Inpoldering van de Calandpolder, Zeeland. Zeeuws Archief

Een andere, voor de hand liggende mogelijkheid was emigratie, maar waarom? “… als hier in Nederland de grond nog voor het grijpen ligt! Als de regering dan te laks is om voor land te zorgen, redeneerde ik, nou ja, dan maak ik het zelf…”, aldus Ko van ‘t Westeinde in het weekblad Revue in oktober 1955. Hij had dat jaar eigenhandig land voor de toekomst van zijn twee zonen ingepolderd. Het ging om de overspoelde resten van een oude polder, nauwelijks tien kilometer van zijn eigen boerderij verwijderd.

De Revue jubelde: “… alsof het in Nederland anno 1955 de gewoonste zaak is om op eigen kracht een eiland aan de zee te ontworstelen. Let wel, zonder de hulp van ingenieurs, zonder de machtige steun van het enorme apparaat dat staatsdijkbouwers ten dienste staat, zonder een cent subsidie”. Wat Van ’t Westeinde deed was inderdaad bijzonder. Bij wet in 1904 was indijken van land exclusief voorbehouden aan de staat. Toch lukte het de Zeeuwse boer, hij behoorde daarmee tot de laatste particulieren in Nederland die land op de zee wonnen.

Bastiaan de Lange- en Calandpolder

Honderd jaar vóór de plannen van Van ’t Westeinde trok het Oranjeplaatje, een zandplaat in het Sloe tussen Walcheren en Zuid-Beveland, de aandacht van ras-ondernemer Dirk Dronkers. De initiatiefnemer voor de Zeeuwse spoorlijn zag mogelijkheden voor ontwikkeling en exploitatie van de zandplaat.

De eerste polder, die Dronkers indijkte, werd vernoemd naar Bastiaan de Lange. Deze held uit de Tachtigjarige Oorlog blies in 1572 zijn schip, zijn bemanning en zichzelf op om uit handen van de Spanjaarden te blijven, dat gebeurde ongeveer ter plekke van de polder.

Enige jaren na de totstandkoming van de Bastiaan de Langepolder volgde een tweede polder: de Calandpolder genoemd naar de toenmalige hoofdingenieur van waterstaat Abraham Caland.

Spoorlijn einde voor eiland

De plannen voor de Zeeuwse spoorlijn betekenden gek genoeg het einde van de nieuwe polders, die als een eiland in het Sloe lagen. Na decennia van uitstel en oponthoud werd in 1871 voor de op handen zijnde spoorlijn de Sloedam aangelegd. Walcheren was niet langer een eiland, de vaargeul tussen de Westerschelde en het Veerse Gat was verleden tijd.

De stroming in het Sloe veranderde ingrijpend door de aanleg van de dam. De Bastiaan de Langepolder en de Calandpolder raakten ondanks de bouw van nieuwe dijken overspoeld. De laatste bewoners vertrokken in 1906. Hoewel de overspoelde resten in de belangstelling bleven staan, gebeurde er decennialang niets in de voormalige polders.
Totdat begin jaren ’50 Ko van ’t Westeinde een bezoek bracht. Hij waadde bij laag water naar de hoger gelegen resten en nam grondmonsters: “Dat zou prima landbouwgrond kunnen worden”, concludeerde hij.

Met de trein naar België

Na de geslaagde proefneming in het Noord-Sloe nam Van ‘t Westeinde de trein naar België. De overspoelde polders waren namelijk eigendom van de Belgische familie Boël in Brussel. Hij ontvouwde de familieleden de toekomstplannen voor zijn zoons en bood aan uit te zoeken of het land opnieuw kon worden ingepolderd. De eigenaren gingen akkoord en gaven hem een overeenkomst uit 1880 mee. Hierin was bepaald dat zowel de staat als de toenmalige eigenaar de overspoelde polders mochten herdijken. Op de terugweg stapte Van ‘t Westeinde in Bergen op Zoom uit om daar het Burgerlijk Wetboek en het lijvige Uittreksel van de Rivierenwet aan te schaffen.

De bestekamer van boerderij ‘de Schelpkreek’ veranderde in een studeerkamer. De stapels wetboeken en documenten groeiden gestaag. Avond na avond bracht Van ‘t Westeinde tussen de papieren door. Hoe kon hij aantonen het recht te hebben het verloren eiland in het Noord-Sloe opnieuw in te polderen? Inpolderen mocht immers sinds de wet op het indijken van 1904 alleen maar door de staat worden gedaan.

Recht zoeken en vinden in archieven

In de overeenkomst uit 1880 werd bepaald dat beide partijen, staat en eigenaar van het poldereiland, het recht hadden hun eigen gronden te bedijken. Tot zijn geluk ontdekte Van ’t Westeinde dat de Calandpolder nooit officieel als polder was afgeschreven. In de archieven stond zij nog steeds geboekt, weliswaar als zwaar beschadigd, maar nog steeds als echte polder. “Land inpolderen mag niet. Maar er is niets op tegen om beschadigde polders weer te herstellen. De resten van de oude zeedijkjes liggen er nog. Wat wij dus gaan doen is feitelijk niets anders dan alleen de oude dijken herstellen…” redeneerde Van ’t Westeinde.

De Ramp

De boer verwierf van de Belgische eigenaren de erfpacht van het in te polderen land en werd hun gevolgmacht vertegenwoordiger. Vervolgens diende hij omstreeks 1952/53 zijn plan voor herdijking in bij de staat. Het ging om 193 hectare land, bestaande uit de voormalige Calandpolder en wat omliggende schorren. De inpoldering kwam voor eigen kosten. De staat weigerde.

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 werden Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden zwaar getroffen door De Ramp.Grote delen van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden kwamen onder water, talloze gezinnen werden dakloos en vele hectares landbouwgrond onbruikbaar.

Arnemuiden behoorde tot de getroffen gebieden. Het water in het Noord-Sloe werd zo hoog opgejaagd dat het over de dijk kwam en de achterliggende polders overstroomde. Er ontstonden gaten in de dijk en het laag liggende gedeelte van Arnemuiden liep onder. Veestapels verdronken. De Sloedam raakte ondermijnd en was niet langer berijdbaar.

De schaapherder die dagelijks met 148 schapen en 30 lammeren rondtrok op de schorren van het Noord-Sloe zag al zijn dieren verdrinken.

Was gehoor gegeven aan het plan tot inpoldering in het Noord-Sloe, dan was de schade voor Arnemuiden niet zo groot geweest, schreef het Zeeuwsch Dagblad.
De staat bleef toestemming weigeren.

Drie-Eilandenplan

Door de watersnoodramp vonden plannen voor inpoldering steeds meer gehoor bij het publiek. Het Zeeuwsch Dagblad wijdde in augustus 1953 een pagina aan het onderwerp onder de kop ‘In het Noord-Sloe is de grond rijp voor inpoldering’. De geschiedenis van het gebied kwam aan de orde en de krant keek vooruit: “Is het verantwoord op korte termijn over te gaan tot herindijking van de Calandpolder, gelegen in het Noord-Sloe tussen Walcheren en Zuid-Beveland? Is het niet zonde van het geld, nu wellicht binnen afzienbare tijd het Drie-Eilandenplan tot uitvoering zal komen of – nog verder gaande – de zeearmen van Zuidwest-Nederland zullen worden afgesloten?

Het Drie Eilandenplan ontleende zijn naam aan de drie eilanden die door de aanleg van twee dammen met elkaar verbonden zouden worden: Walcheren, Noord-Beveland en Zuid-Beveland. De eerste dam was de Zandkreekdam, die Noord-Beveland met Zuid-Beveland zou verbinden. De tweede, de Veerse Gatdam, verbond Noord-Beveland met Walcheren. Grote vraag bleef natuurlijk; wanneer zou het tot uitvoering komen?

Landhonger

Hoewel het Drie Eilandenplan vaste vorm kreeg, oordeelde het Zeeuwsch Dagblad positief over het initiatief van Ko van ’t Westeinde. Zijn plan was aanlokkelijk aldus de krant in augustus 1953. “…wie er kennis van neemt, zegt spontaan: “Doe het zo vlug mogelijk, want er is een enorme landhonger!”” De krant gaf op van de kwaliteit van de grond, waarvan de ondergrond uit zand bestond, waardoor de afwatering beter was dan op metersdikke kleigronden. “Als zulke schorren eenmaal droog zijn gevallen, dan zal het maar zeer kort duren, voordat er geoogst kan worden”.

De halsstarrige houding van de staat was aanleiding voor speculatie in de krant; wellicht speelden de plannen die als gevolg van de ramp waren ontstaan een rol? Het Zeeuwsch Dagblad riep de regering op in te dijken, en vooral “Geef de eigenaar van buitendijkse gronden royaal de kans zijn recht te effectueren!”

Keizerlijk decreet

De staat bleef echter toestemming weigeren. Bij een volgende afwijzing werd zelfs verwezen naar een Keizerlijk decreet uit 1811. Volgens dit decreet had de overeenkomst uit 1880 nooit mogen worden gesloten. “Het is belachelijk en droevig!” reageerde het Zeeuwsch Dagblad in oktober 1953. De krant liet geen spaan heel van de opstelling van de overheid, en schreef: “Men kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat de achtergrond van de ernstige tegenwerking alleen, maar is: uitschakeling van het particulier initiatief en daarmede absolute negéring van het recht, dat volgens officiële stukken deze particulier kan doen gelden.”
Tot driemaal toe kreeg de boer nul op het rekest.

Overigens behelsden de plannen die Van ’t Westeinde had ingediend naast de inpoldering van de oorspronkelijke polder het voorstel het gehele Noord-Sloe in te dijken. Ko van ’t Westeinde had de staat aangeboden – wanneer besloten werd tot inpoldering van het hele Noord-Sloe – ongeveer de helft van de aan te leggen dijk voor zijn rekening te nemen. Deze dijk zou tussen de Oranjepolder aan de Walcherse kant en de Egbert Petruspolder aan de Zuid-Bevelandse kant moeten worden gelegd. De staat kreeg dan 400 hectare grond en Van ‘t Westeinde nog geen 200 hectare. Op dat voorstel zou hij nooit een reactie ontvangen.

Juridische pennenstrijd

Wat volgde was een juridische pennenstrijd over de inpoldering van de oorspronkelijke Calandpolder. Boer Van ’t Westeinde schreef zelfs een brief aan de leden van de Eerste en Tweede Kamer. Het Zeeuwsch Dagblad in oktober 1953: “De ministerrraad is thans van de zaak in kennis gesteld. Als deze zich alleen laat adviseren door de hoofdambtenaren van Waterstaat, dan zal het onrecht blijven bestaan. En dan zal de onafhankelijke rechter te beslissen hebben.”

De Kamerleden vroegen minister Algera van Verkeer en Waterstaat waarom geen concessie werd verleend ondanks de overeenkomst. Een antwoord met opgave van argumenten bleef echter uit. In maart 1954 liet de minister weten pas onderhandelingen met de eigenaren van grond in het Noord-Sloe te openen wanneer de plannen van het rijk voor ontwikkeling van het gebied voldoende vaststonden.

Van ’t Westeinde besloot alvast het plan tot inpoldering van de oorspronkelijke Calandpolder in te dienen bij de provincie. Het lag in juni en juli 1954 ter inzage bij de provinciale griffie te Middelburg. Belanghebbenden konden gedurende veertien dagen schriftelijk bezwaar indienen bij Gedeputeerde Staten. De kosten van de indijking bedroegen 800.000 gulden.

Tegelijkertijd richtte Van ’t Westeinde zich in een brief tot de koningin.
In december 1954 brachten Gedeputeerde Staten van Zeeland gunstig advies uit aan de Kroon over de aanvraag tot indijking van gronden in het Noord-Sloe. Het merendeel van de door de minister naar voren gebrachte bezwaren achtten G.S. ongegrond.

Dicht maken die dijken

Van ’t Westeinde kreeg steun van de Zeeuwse Commissaris der Koningin, jhr mr A.F.C. de Casembroot. Deze ried hem aan zo snel mogelijk met de werkzaamheden te beginnen, en niet de uitkomst van de juridische pennenstrijd af te wachten. Of zoals weekblad De Post het in augustus 1962 bracht: “Toen Van ’t Westeinde weer eens met een brief vol moeilijkheden van Rijkswaterstaat bij de Commissaris kwam, zei deze: “Je moet niet te veel kletsen, maar zo vlug mogelijk aan het werk gaan. Dicht maken die dijken en het land gaan bebouwen”.”

Het vinden van een geschikte aannemer viel echter tegen. De ene na de andere haakte echter af, – na een gesprek met rijkswaterstaat. Daarop huurde de boer in zijn eigen dorp drie bulldozers en vier draglines. Samen met een kleine aannemer die te klein was om werken van Rijkswaterstaat te krijgen, voerde de familie Van ’t Westeinde de klus zelf uit.

Het werk begon in april 1955, op 2 mei 1955 was ‘de grote dag’ voor de familie: het laatste, grote gat werd gedicht. De heer en mevrouw Van ’t Westeinde, hun zoons en nog enkele familieleden woonden ‘de plechtigheid’ bij.

Eind mei waren alle dijkgaten gesloten. In september kwam de 3,5 kilometerlange dijk rond de nieuwe Calandpolder gereed. Zoals weekblad Revue in oktober 1955 schreef: “Een Zeeuwse boer heeft daarmee de ongelofelijke prestatie verricht om voor eigen rekening en risico 72 hectare kostbare cultuurgrond uit het water omhoog te halen.”

Over de indijking van een grotere oppervlakte was nog steeds geen toestemming verkregen. Met naar verhouding geringe kosten zou over de omliggende schorren een dijk kunnen worden gelegd, waardoor 193 ha grond binnendijks zou komen te liggen.

Uiteindelijk legde de staat zich bij de stand van zaken neer. Een journalist en een fotograaf van het Zeeuwsch Dagblad gingen in augustus 1956 in de Calandpolder op bezoek bij Van ’t Westeinde, “de man, die – zij het dan niet voor de volle honderd procent – met de hergeboorte van deze polder een vurige wens in vervulling ziet gaan. Zijn jarenlange vasthoudendheid is, ondanks grote tegenwerking van bepaalde rijksinstanties, met succes bekroond. “Ik heb nog geen ogenblik spijt gehad”, zegt hij met gerechtvaardigde trots, als hij ons in zijn auto over de berm onder langs de 3900 meter strekkende dijk door de polder rijdt.”

Romantiek op ’n onbewoond eiland

De daarop volgende jaren werd de nog zilte grond bewerkt. De eerste oogst mislukte, de daaropvolgende vielen tegen, maar na een paar jaar was de oogst zonder meer goed. In 1961 stond de eerste aardappeloogst op het land, in 1962 de eerste aardappeloogst van de twee zoons. Ook verrezen dat jaar twee boerderijen in de Calandpolder: twee zonen van Ko van ’t Westeinde, Cornelis en Albert gingen trouwen!

“Romantiek op ’n onbewoond eiland”, kopte weekblad Margriet in juni 1962. “De enige bewoners van de Calandpolder, die kort geleden nog een verdronken eiland was, zijn twee jonge paren in hun wittebroodsweken. Ze dromen niet, ze wèrken: het land, door hun vader aan de zee ontrukt, eist hen op.”

Ook tijdschrift Eva deed in november 1963 onder de kop ‘Een polder voor een bruid’ uitgebreid verslag en bracht een paginagrote afbeelding van één van de twee kersverse stellen. “Deze foto is een symbool van een onverwoestbaar doorzettingsvermogen, van een onbegrijpelijke moed en van een rotsvast vertrouwen in eigen kunnen. Zoals het in sommige streken gewoonte is, dat een man zijn bruid over de drempel draagt van het huis, waarin zij samen hun leven beginnen, zo draagt deze jonge boer zijn vrouw door de polder, die de grondslag is van hun gezamenlijke toekomst.”

Ondertussen reden er opnieuw draglines door de Calandpolder. Ditmaal om de in 1955 gebouwde dijken af te breken. De dijken waren niet langer nodig omdat het Veerse Gat het Veerse Meer was geworden. Sinds 1961 wordt het Veerse Meer begrensd door de dijk van Vrouwenpolder naar Noord-Beveland en de dijk van Wolfaartsdijk naar Noord-Beveland. Door de afdamming vielen de schorren aan de ‘zee’-zijde van de Callandpolderdijk voorgoed droog. De nieuwe grond ter grootte van 100 hectare werd door Cornelis en Albert toegevoegd aan hun bestaande landbouwgrond, die zij nog steeds in erfpacht hadden van de Belgische eigenaren. Verder verrees een derde boerderij in de Calandpolder, bestemd voor zus Jo en de zwager van Cornelis en Albert.

Anno 2010 boeren de kleinkinderen van Ko van ’t Westeinde nog altijd met genoegen in de Calandpolder. Zelf noemen ze hun polder ‘het plitje’, naar de oorspronkelijke benaming Oranjeplaatje, net als bewoners en omwonenden dat in de negentiende eeuw al deden. Dit jaar bestond de oogst uit: aardappelen, uien, tarwe, suikerbieten en knolselderij.

Bronnen:

Archief Rijkswaterstaat Directie Zeeland, Deel I: Regionale Directie, toegang 361.1
inv.nr 1392
F.P. Polderdijk beschreef in 1932 de geschiedenis van de Oranjeplaat en de Bastiaan de Langepolder en de Calandpolder
Krantenbank Zeeland
Tijdschriften: Eva, Revue, Margriet, Post