Oog & Oor op Walcheren en in Zeeuws-Vlaanderen

Voor het geven van voorlichting én het verzamelen van inlichtingen voor de regering werd na de bevrijding van het zuiden van Nederland de dienst Oog & Oor opgericht. Dick Hanlo werd aangesteld om het Oog & Oor-bureau voor Zeeland te leiden. Plaats van vestiging: Middelburg op het zwaar getroffen en onder water gezette eiland Walcheren.

Logo van de dienst Oog & Oor

Dick Hanlo was medewerker van het Departement van Handel en Nijverheid. Hij was Arnhem ontvlucht tijdens de Slag om Arnhem van 17-25 september 1944, met achterlating van al zijn bezittingen. Hanlo kreeg de opdracht de vestiging van Oog & Oor in Middelburg, genaamd Districtsbureau Zuid III, te leiden.

Zijn werkgebied was heel Zeeland, maar bleef in de praktijk beperkt tot Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen. Met hulp van correspondenten wist hij de situatie in verschillende gebieden in kaart te brengen. Wekelijks rapporteerde hij zijn bevindingen aan het hoofdkantoor van Oog & Oor.

Lees meer over de oprichting van de voorlichtings- en inlichtingendienst Oog & Oor en de connectie met de Rijksvoorlichtingsdienst

Onderzoek naar de dienst Oog & Oor in Zeeuws-Vlaanderen

Naar het werk van Oor & Oor met betrekking tot Zeeuws-Vlaanderen heeft Femke Koekkoek, student van University College Roosevelt (UCR) onderzoek gedaan. Zij schreef daarover het research paper Zeeuws Vlaanderen in the post-World War II period (1944-1946) as seen and reported by Oog & Oor, december 2016.

Oog & Oor op Walcheren

Hanlo reisde meteen na de bevrijding van Walcheren in november 1944 af naar de chaos op het onder water gezette eiland. De woningnood in Middelburg was schrikbarend, zo ondervond Hanlo aan den lijve. Op zijn mededeling aan de waarnemend burgemeester dat hij voor het districtbureau 5 à 6 kamers nodig had, antwoordde de burgemeester: “onbestaanbaar”.
Inundatie van Walcheren 1944-1946

Kantoorruimte

Na dagen zoeken richtte Hanlo zijn aandacht op het pand Koepoortstraat nr 6, waar het Militair Gezag (MG) gevestigd was. Het MG was aan het afbouwen en zou per 1 december geheel uit Zeeland moeten verdwijnen. Majoor Jhr Mr A.F.C. de Casembroot was de plaatsvervangend Militair Commissaris (M.C.) voor Zeeland en hij vertelde Hanlo dat voor het gebouw al verschillende instanties zich gemeld hadden: de Marine, het Bureau voor Nationale Veiligheid, de Gezagstroepen en het Bureau voor Oorlogsvrijwilligers. De Casembroot durfde geen enkele toezegging te doen.

Hanlo verzocht het Centraal Bureau van Oog & Oor hierover contact op te nemen met het Departement van Oorlog en mocht dit geen resultaat opleveren het gebouw dan maar te vorderen. Dat bleek ijdele hoop. Hanlo kreeg een bureau toegewezen in kamer 7 van Koepoortstraat nr 6, een kamer die hij deelde met twee andere mensen.

Hoewel Hanlo aanvankelijk Middelburg adviseerde als plaats van vestiging viel zijn keuze uiteindelijk, begin oktober 1945, op Vlissingen: Walstraat 39, hoek Riouwstraat. Dat pand diende echter eerst aangepast te worden, er zaten bijvoorbeeld geen ruiten in de ramen. Hanlo werkte zolang vanuit Singelstraat nr 29 – en daar zou districtsbureau Zuid III van de regeringsdienst Oog en Oor tot de opheffing ook blijven. Vermoedelijk overnachtte Hanlo in Hotel de Brug aan de Loskade.

Kleding

Als gevolg van de oorlog was er in het land een tekort aan letterlijk alles. Van voeding, kleding tot vervoer en communicatiemiddelen. Ook Hanlo ondervond persoonlijk de gevolgen van de schaarste.

Bij zijn vlucht uit Arnhem in september 1944 had hij maar weinig kleding kunnen meenemen. Door zijn drukke baan had hij geen gelegenheid gehad “werk te maken van het tijdrovende verkrijgen van de noodzakelijke aankoopvergunningen voor kleding en schoeisel, zowel bij het Distributie-kantoor als bij andere instellingen zoals H.A.R.K. of N.V.H. etc.”, schreef hij 3 december 1045 aan de directie van het Centrale Distributie Kantoor te Den Haag.
Behalve twee stukken onderkleding “die reeds gezien de inferieure kwaliteit versleten zijn” had hij geen kleding gekocht. Maar de nood was nu zo hoog dat hij vreesde als hij niet snel ‘het allernoodzakelijkste’ kon aanschaffen, zijn functie niet meer kon uitvoeren. Hij schreef dringen behoeft te hebben aan: 1 paar lage beroepsschoenen, 1 regenjas, 2 onderbroeken (winterkleding), 2 overhemden, 1 pyama en 2 paar sokken.” Vooral de schoenen waren erg nodig. Hanlo dreigde letterlijk de deur niet meer uit te kunnen.

Van radio tot perforator

In december 1945 beschikte Hanlo nog steeds niet over een radio; om de voorlichtende radiopraatjes van minister-predident Schermerhorn te kunnen beluisteren, diende hij op zoek te gaan naar een toestel.Ook kantoorartikelen als briefpapier en een perforator waren niet vanzelfsprekend aanwezig.

Vervoer en communicatie

Vooral het gebrek aan vervoer beperkte Hanlo in zijn werk. Hij kon alleen met heel veel moeite de situatie ter plekke met eigen ogen aanschouwen. Zoals de reis naar Oostburg die hij begin november 1945 maakte en die 8,5 uur duurde. Het bezoek aan Zeeuws-Vlaanderen maakte indruk op hem. In het rapport van 11 november 1945 schreef hij: “Ik wil [...] volstaan met de bekentenis, dat na mijn eerste oppervlakkige bezoek aan dit gebied een gevoel van schaamte in mij opkwam van in een behoorlijk bed te slapen en enig comfort te genieten. Met moet de ellende gezien hebben om er enigszins over te kunnen oordelen.”

Een eigen auto kreeg hij niet en ook het huren ervan lukte niet. Openbaar vervoer vond Hanlo teveel tijd kosten, dat was vanwege de opbouw van het districtsbureau onverantwoord. Bovendien was er volgens hem in heel Zeeland praktisch geen overnachtingsmogelijkheid. “Er rest mij dus niets anders dan zoveel mogelijk per brief en per telefoon af te doen. De telefoonverbindingen zijn veelal in Zeeland zodanig dat het woord telefoongesprek niet juist gebruikt kan worden en vervangen dient te worden door ‘telefoongegil’.” Hanlo gaf de voorkeur aan persoonlijk contact. “Persoonlijk contact is doeltreffender, schept een betere sfeer en geeft minder aanleiding tot misverstanden.”

Instellingen van 'min of meer officiële aard’

Ondanks alle beperkingen lukte het Hanlo de situatie op Walcheren, en met behulp van correspondenten in Zeeuws-Vlaanderen in kaart te brengen. Hij analyseerde de problemen en formuleerde oplossingen.

Door de traag en inefficiënt werkende overheidsorganisaties verloren inwoners het vertrouwen. Het gevolg was dat in Zeeland tal van instellingen ‘van min of meer officiële aard’ in 1945 uit de grond schoten. Zelf was Hanlo een warm pleitbezorger van de Stichting Nieuw Walcheren, die opgericht door particuliere inwoners van Walcheren in oktober 1945 tot doel had de wederopbouw van Walcheren zo breed mogelijke te bevorderen. Hanlo: “Zij bestaat [uit] enige gezaghebbende personen van Walcheren en is onderverdeeld in afdelingen zoals agrarische-, industriële-, en sociale zaken, handel en verkeer, en visserij.” Een bezoek van het bestuur “gedreven door grote ongerustheid t.a.v. de toekomst van Walcheren” aan de minister-president, verdiende alle aandacht aldus Hanlo, die verder schreef: “Met de stichting sta ik bijna dagelijks in contact.”

Somber rapport over de toekomst van de Zeeuwse economie

Over de economische toestand van Zeeland schreef Hanlo 6 november 1945 een somber rapport. Hij voorspelde dat Zeeland de grote terugslag in het economisch leven nog kreeg te verwerken, en die zou een stempel op de gehele Zeeuwse samenleving gaan drukken. Hanlo noemde drie oorzaken:

Allereerst het toerisme. “Deze belangrijke bron van welvaart heeft definitief opgehouden te bestaan. Door de inundaties met zout water is het toeristencentrum Walcheren als zodanig tot in de grond vernield. Het thans opgroeiende geslacht zal nooit meer het prachtige geboomte en de meidoornborders zien. De ‘tuin van Zeeland’ zal na de drooglegging herschapen zijn in een kale woestenij die alleen te vergelijken zal zijn met de Zuiderzeepolders.”

Ten tweede benoemde Hanlo het vertrek van de Maatschappij Zeeland. “Deze maatschappij welke de nachtdienst Vlissingen-Engeland onderhield zal deze dienst te Rotterdam voortzetten.”

De derde oorzaak was het wegtrekken van industrieën. Volgens Hanlo zouden uit Zeeland door verschillende omstandigheden vertrekken: Philips-Van Houten NV (farmaceutische producten), Vega N.V. (tricotagefabriek), Zeeuwsche Confectiefabriek, Van Melle N.V. te Breskens, Gebr. Kunst (lampekappenfabriek). Hanlo: “De intellectuelen in Zeeland maken zich over deze verschijnselen ernstig ongerust en zijn van mening dat in regeringskringen onvoldoende begrip bestaat voor de ontzaggelijke economische problemen waarvoor men deze provincie gesteld ziet”.

Bron: Archief Regeringsdienst Oog en Oor, Districtsbureau Zuid III, Regio Zeeland, 1945-1946

Bookmark and Share

Uit het archief