Lezing prof.dr. E. Ketelaar

Archieven, waarom? Het verleden van de toekomst.

Die titel ontleen ik aan Roelof Koops. Het was een van de kopjes in zijn essay “Het papieren geheugen: archieven en archivarissen in Nederland”, dat Roelof bijdroeg aan het in 1991 gepubliceerde boek “Archiefschatten. Duizend jaar vaderlandse geschiedenis”, verschenen bij het honderdjarig bestaan van de Vereniging van Archivarissen in Nederland.

In 25 bladzijden behandelde Roelof achtereenvolgens de waarde en waarden van archieven, het ontstaan van archieven, de taak van de archivaris, de organisatie van het archiefwezen en – als laatste! – bezoekers en gebruikers. Het boek Archiefschatten is rijk geïllustreerd, met de topstukken uit Nederlandse archieven die we ook daarna steeds weer tegenkomen in kalenders en agenda’s, op websites en in tentoonstellingen. U heeft ze vast wel eens gezien: het “Remissorium Philippi uit 1450 (waarmee Roelof zijn essay begon), het gezicht op Nieuw Amsterdam door Vingboons, de Schaghen letter uit 1626, het akkoord van Linggadjati, de doorgeknipte speelkaart uit het Amsterdamse Ingenomen kinderboek, de kaart van de “drie Schiëen” uit 1512 (die Roelof Koops voor het eerst moet hebben gezien toen hij kwam solliciteren naar een stageplaats bij de rijksarchiefdienst, immers die kaart hing toentertijd in de kamer van de algemene rijksarchivaris aan het Bleijenburg).

Oudste archiefstuk?
En natuurlijk was afgebeeld de oorkonde waarbij keizer Otto I het recht van muntslag in Kessel aan de Maas verleent. Het stuk dateert uit het midden van de tiende eeuw, het is evenwel een vervalsing, of liever: een schijnbaar origineel, want de keizer heeft zo’n oorkonde nooit afgegeven, maar hij is later gemaakt met een nagemaakt zegel omdat men kennelijk niet alleen wilde vertrouwen op de getuigen bij de mondelinge overeenkomst, maar een schriftelijk stuk wilde hebben. Een beetje tragisch is wel dat velen dit stuk, dit schijnbare origineel, als het oudste archiefstuk in Nederland beschouwen. Liever zouden we een in alle opzichten echt document die eretitel geven.

Het schrijfplankje van Tolsum
Gelukkig is er nog een archiefdocument uit het jaar 29 na Chr.: een deel van een Romeins wastablet, een schrijfplankje, in 1914 gevonden in een terp bij Tolsum bij Franeker. Vorig jaar is het op initiatief van Tresoar en het Fries Museum aan de Universiteit van Oxford onderzocht. De waslaag is verdwenen, maar de doordruk van de letters is nog vaag te zien. Lang is het beschouwd als een akte over de koop van een os (in het Latijn: bos, bovis, bovi, bovem), maar nu is dankzij digital imaging techniek ontdekt dat er niet bovem staat, maar quem. In plaats van over een os gaat het om een geldlening door Carus (of misschien Andecarus), slaaf van Iulia(?) Secunda, mogelijk de vrouw van een tribuun van het Vijfde legioen, en met een Bataafse soldaat als getuige. Dat is heel interessant, want het wijst op het Romeinse legioen dat, versterkt met Bataafse hulptroepen, de Friese opstand neersloeg. Tacitus dateert die opstand in het jaar 28 en schrijft dat de Romeinen zich daarna terugtrokken, maar dit plankje uit Tolsum bewijst dat nog in het jaar 29 Romeinse en Bataafse militairen in de buurt waren. Zo geeft dit oudste archiefstuk in Nederland aanleiding om een stukje geschiedenis van de Romeinse bezetting te herschrijven. Dat was natuurlijk nimmer de bedoeling van het opmaken van deze akte van geldlening, zoals voor eigenlijk alle archivalia uit vroeger tijd geldt dat ze gebruikt kunnen worden als bron voor onderzoek, maar meestal niet onderzoek van de primaire oorzaak van het opmaken van het archiefstuk.

Ontgrenzing
Het schrijfplankje uit Tolsum is ons oudste archiefstuk, maar waarom houden we dan toch vast aan die oorkonde van keizer Otto die meer dan negenhonderd jaar jonger is? Het plankje is in 1914 gevonden, dus allang bekend. Maar het is vanaf het begin niet als archiefstuk behandeld, maar als museaal object. Het behoort tot de collectie van het Fries Museum, niet van het regionaal-historisch centrum Tresoar in Leeuwarden. En dat brengt me op wat ik beschouw als een van de voornaamste veranderingen in het archiefwezen in de afgelopen 35 jaar – ik bedoel de ontgrenzing, het ontdoen van grenzen.

De grenzen streng bewaakt
De grenzen tussen musea en archieven, tussen archieven en bibliotheken werden 35 jaar geleden streng bewaakt en zo kon het gebeuren dat het museale Romeinse schrijfplankje niet als archiefstuk werd gewaardeerd. Met enige afkeuring werden de paar archivarissen die tevens museumdirecteur waren, in Heerlen bijvoorbeeld, bekeken, ook al waren er de historische rolmodellen in het begin van de 20e eeuw: de archivarissen Feith in Groningen en Muller in Utrecht: zij combineerden de leiding van het archief en hun museum – het Groninger Museum en het Centraal Museum. Beiden waren, behalve rijksarchivaris, ook beheerder van het gemeentearchief. Ook die combinatie werd later minder wenselijk geacht, al bleven in Groningen en Utrecht het rijksarchief en het gemeentearchief in een en hetzelfde gebouw, maar nadrukkelijk gescheiden en onderscheiden.

De ontgrenzing zet door
Maar juist in Utrecht begon de ontgrenzing, door de fusie van rijks- en gemeentearchief in 1998, maar al ingezet in 1995 met de benoeming van Maarten van Boven tot gemeente- en rijksarchivaris. Het Utrechts Archief was het eerste regionaal-historisch centrum, als tweede fuseerden in 2000 het rijksarchief in Zeeland en de gemeentearchieven van Middelburg en Veere tot het Zeeuws Archief. Na de ontgrenzing tussen rijks- en gemeentearchief in Utrecht en Middelburg bracht Friesland in 2002 de ontgrenzing tussen archief, bibliotheek, documentatiecentrum en museum, door de vorming van Tresoar uit het rijksarchief, de provinciale bibliotheek en het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum. Ook buiten de provinciehoofdsteden zette de ontgrenzing door, bijv. CODA (Cultuur Onder Dak Apeldoorn) (2004), een combinatie van archief, bibliotheek en museum en Erfgoed Delft en Omstreken (2006), een bundeling van de drie Delftse gemeentemusea, het gemeentearchief, het Vakteam Archeologie en Winkeltje Kouwenhoven. In Dordrecht werken het stadsarchief en het Bureau Monumentenzorg en Archeologie samen als Erfgoedcentrum DiEP (2007). Het Historisch Centrum Markiezenhof in Bergen op Zoom is een combinatie van museum en archief.

Documentatie is geen vies woord
Deze organisatorische ontgrenzing maakt het makkelijker om ook de grenzen tussen documenten, media en objecten te slechten. Digitalisering werkt daartoe bij, maar belangrijker is het inzicht dat het voor de gebruiker niet veel uitmaakt waar en in welke vorm en in welk systeem de historische informatie beheerd wordt. Dat wil niet zeggen dat archivalia niet een eigen aard hebben, maar het zijn niet de enige vaak niet eens de voornaamste bronnen. In de jaren zeventig werd ik er nog op uitgestuurd om de rijksarchivaris in Groningen aan te manen dat hij moest ophouden met het verzamelen van kranten en het maken van foto’s van actuele gebeurtenissen; documentatie was toen – althans in de rijksarchiefdienst – een vies woord. Het is goed dat de enge grenzen van het verzamelbeleid van archiefdiensten in de afgelopen decennia zijn vervaagd, zelfs opgeheven. In 1988 schreven twee rijksarchivarissen (Wieland en Keverling Buisman) te verwachten dat in de toekomst de nadruk zou komen te liggen niet op de exclusieve archiefbron, maar op de informatiewaarde van allerlei soorten bronnen: films, foto’s, kranten, interviews, binnen, maar vooral buiten de muren van het archiefdepot. Op de website archieven.nl geven 17 miljoen beschrijvingen toegang tot de collecties van 1845 musea, bibliotheken, historische verenigingen, archieven – van het Abel Tasmankabinet in Lutjegast tot de Zwolse Historische Vereniging. Archieven.nl is de digitale opvolger – maar uitgebreider – van de 14 delen gedrukte archievenoverzichten die tussen 1979 en 1992 verschenen – een belangrijk project dat archiefdiensten samenbracht in een landelijke standaard van gegevensverstrekking.

Het records continuüm
Een andere ontgrenzing waarvan niemand 35 jaar geleden had durven dromen, is die tussen oud-archief en dynamisch archief. Uiteraard werd er ook in het verleden samengewerkt tussen de archiefdienst en de archiefvormende overheid, tussen archivariaat en registratuur. Maar fusie gaat verder dan samenwerking, vooral op lokaal niveau. Zo is in Breda de gemeentearchivaris hoofd van het onderdeel Document Management en Archief van het Shared Service Center. Ook elders zien we ontgrenzing, vooral in de digitale wereld waar de archivaris niet langer kan afwachten wat er aan archivalia naar hem of haar toekomt, maar actief betrokken moet zijn, al bij de start van het records continuüm, bij de vormgeving en vorming van archieven. Een digitaal depot bevindt zich niet over de grens, maar is een logisch onderdeel van de archiefketen. Die ketenbenadering is een belangrijk punt in het rijksbeleid tot modernisering van de informatiehuishouding, bevorderd door beleidsmatige ontgrenzing tussen Binnenlandse Zaken en OCW (de twee ministeries die het archief- en informatiebeleid coördineren) – helaas nog niet een organisatorische ontgrenzing. Maar misschien zegt Martin Berendse daar nog wat over?

Publieksbereik krijgt voorrang
Ontgrenzing ook door opening van de grenzen voor de gebruikers en bezoekers. Kwamen die in het essay van Roelof Koops in 1991 nog op de laatste plaats, in de afgelopen twee decennia hebben archiefdiensten een ommezwaai gemaakt – soms wel te ver doorgeschoten ten koste van andere taken – door het publieksbereik voorrang te geven. In het afgelopen decennium verschenen rapporten als “Naar een publiekgericht archiefbestel” (2003), een handleiding “Het archief op zoek naar nieuwe doelgroepen” (2005), er werd een jaarboek gewijd aan “Archiefgebruikers: consumenten van het verleden” (2004), een Handvest dienstverlening archieven werd opgesteld (2000) en een kwaliteitsmonitor meet sinds 2003 de dienstverlening. Die beweging naar wat in het nieuwe managementjargon heet “klantgestuurd” is niet – zoals sommigen menen – uniek voor de dagen van staatssecretaris Van der Ploeg, maar bouwt voort op de ontwikkeling in de jaren negentig toen de eerste systematische bezoekersonderzoeken verschenen.

Voorspellingen komen uit
En nog eerder, al in 1968 formuleerde de toen net benoemde algemene rijksarchivaris Ribberink het beleid tot omvorming van de rijksarchieven, van een “keurig degelijk ouderwets middenstandszaakje waar de klant alles aangereikt krijgt” tot een “goed gesorteerde, moderne zelfbedieningszaak”. Maar Ribberink’s metafoor: archiefdiensten: supermarkten van de geschiedenis – vonden vele archivarissen maar onzin. Toch voorspelden Wieland en Keverling Buisman ruim 20 jaar geleden dat de publieke belangstelling niet meer afgemeten zal worden aan bezoekersaantallen, maar aan aantallen gebruikers, aantallen bevragers van een informatiesysteem. De archiefdienst, schreven zij, evolueert van buurtwinkel via supermarkt naar postorderbedrijf. Op de website van het Zeeuws Archief heeft Roelof Koops het over de metamorfose “Van de van oudsher naar binnen gekeerde overheidsorganisatie naar de publieksgerichte, culturele erfgoedinstelling van nu.”

Cijfers en feiten
Telde het rijksarchief in Zeeland in 1966, het eerste jaar na de verhuizing naar het toen nieuwe gebouw aan het Abdijplein, 824 bezoeken, in 1975 waren dat er 2376. Dat verdubbelde in tien jaar om in 2005 op het bijna drievoud van 1975 te komen: 6700 bezoeken. De bezoekers van het Zeeuws Archief raadpleegden in 2005 13.000 stukken, gemiddeld 2 per bezoek, terwijl in 1975 in het rijksarchief gemiddeld ruim 10 stukken per bezoek in de studiezaal werden aangevoerd. Dat komt door een weer een andere ontgrenzing, namelijk die van het fysieke archiefstuk. Zorgde in de jaren 70 de invoering van zelfbediening van xerokopieen en microfilms al voor een forse daling van het aantal uit het depot aangevraagde originelen, sinds eind jaren 90 wordt een steeds groter deel van de vraag beantwoord door digitale documenten. En de digitalisering heeft tot ontgrenzing van de fysieke studiezaal geleid. In 2005 werd de website van het Zeeuws archief 300.000 keer bezocht en werden 1,9 miljoen webpagina’s bekeken. Die aantallen namen daarna wat af: in 2009 nog “slechts” 169.410 bezoeken en 970.000 bekeken pagina’s. Ook het bezoek van de site “Zeeuwen Gezocht” lijkt zich te stabiliseren rond de 2 miljoen bekeken pagina’s.

Landelijke ontwikkelingen
Landelijk trekt Genlias bijna 3,5 miljoen bezoeken (2007). Genlias startte in 1998 als project van wat toen nog de rijksarchiefdienst heette. Gelukkig heeft Genlias de ontbinding van de rijksarchiefdienst – je zou ook kunnen zeggen: ontgrenzing – als gevolg van de vorming van de regionaal-historische centra, overleefd. Genlias wordt omgebouwd tot wiewaswie.nl de vrucht van samenwerking van een aantal archiefinstellingen. Andere landelijke projecten hebben helaas meer te lijden gehad onder de middelpuntvliedende krachten in het archiefwezen. Als voorbeeld noem ik het schandalige stopzetten van de landelijke bezoekerspas. De ontgrenzing heeft niet alleen maar voordelen gehad: de rijksarchiefdienst bood uitwisseling van mensen en ervaringen (een Roelof Koops bijvoorbeeld die anderhalf jaar in de centrale directie in Den Haag meedraaide) en broedplaatsen voor nieuwe ideeën die aan het gemeen ten goede kwamen en niet alleen aan het eigen kantoor. Gelukkig rekenen KVAN en BRAIN het tot hun taak om, zoals zij dat noemen, binnen de bandbreedte van de institutionele divergentie voor een optimale professionele convergentie te zorgen.

Vraag en aanbod
Interessant is het aantal digitale reacties n.a.v. “Zeeuwen Gezocht”, zo’n 3000, wat een indicatie is van de betrokkenheid van mensen met het archief, een betrokkenheid die zich ook uit op Twitter en in reacties op de blogs van het archief. Was het vroeger zo dat de klant het door de archivaris aangeboden product had aan te nemen, meer en meer vervaagt in de digitale wereld de grens tussen consument en producent van historische informatie. Dat leidt, gevoegd bij het opheffen van de grenzen tussen de collecties van archief, museum en bibliotheek, en de grenzen tussen publieke collecties en private bestanden tot een enorme uitbreiding van het aanbod, wat ook weer leidt tot verhoging van de vraag, vooral ook de vraag van nieuwe groepen geïnteresseerden.

Gemeentearchivarissen
Buurtwinkel, supermarkt, postorderbedrijf, virtuele historische werkplaats – al deze ruimten hebben ook een plek en een organisatorische inbedding nodig. In 1977 waren er, behalve de rijksarchieven in de 11 provinciehoofdsteden (de provincie Flevoland was er nog niet), 54 gemeentearchieven en 23 streekarchieven/streekarchivariaten, in een kwart van alle gemeenten. Die aantallen zijn gestaag gestegen: in 1985 68 gemeentearchieven, in 1995 84. Door de gemeentelijke herindeling (in 1970 waren er nog 913 gemeenten, nu zijn het er 430) heeft ook hier ontgrenzing plaatsgehad. Nu is er in 329, dus ruim driekwart van het totaal, een gemeente- of streekarchivaris. Ik reken daar ook de 17 gemeenten bij waar formeel geen gemeentearchivaris is, maar waar een ambtenaar ter secretarie het archiefbeheer en de dienstverlening verzorgt.

De Middelburgse kwestie
De vraag of zoiets wel mag, was het onderwerp van de Middelburgse archiefkwestie in 1973, die voor de provinciale archiefinspecteur zelfs aanleiding was om ontslag te nemen. De Vereniging van Archivarissen in Nederland keurde aanstelling van een gediplomeerd archivaris ter gemeentesecretarie officieel af en weigerde nog tot in 1985 zelfs advertenties voor een dergelijke functie op te nemen in Nieuws VAN archieven, tenzij de betreffende gemeente verklaarde dat de functie t.z.t. zou worden opgewaardeerd tot die van gemeentearchivaris. In de Middelburgse affaire maar ook in andere kwesties – ik denk aan het stelsel van inbewaringgeving van lokale archivalia door het Rijk aan gemeenten – werden vragen over de professionaliteit en effectiviteit van het archief vaak uitgevochten met wettelijke argumenten. Ik heb dat vroeger genoemd de juridisering van archivistische kwesties. Ik vrees dat dat nog niet helemaal over is en dat te vaak de letter en de geest van de Archiefwet worden misbruikt in discussies waar het zou moeten gaan over de missie, het maatschappelijke belang van archiefzorg, waarbij het archiefwezen slechts een middel is.

De archiefprofessional
In die optiek past ook de ontgrenzing die ik als laatste wil noemen: de emancipatie van de archiefprofessional. Wat er over te zeggen valt, heeft Theo Thomassen in het afgelopen maandag verschenen S@P-jaarboek “Archivaris: professie, professional, professionaliteit, professionalisering” geschreven, onder de titel “Onttakeling of modernisering? De beroepsgroep van archivarissen gedeïnstitutionaliseerd.” Daarom van mij slechts een korte opmerking, als slot.

Identiteitsvraag
Als je iemand in het vak vraagt: wat doe je, zijn er twee soorten antwoorden: ik werk bij het Zeeuws archief, of: ik ben archivaris. Waar ligt je loyaliteit, wat bepaalt je professionele handelen? De werkgever of het vak? Vele van de kwesties, soms hoogoplopende debatten die gevoerd zijn in de afgelopen 35 jaar hebben met die identiteitsvraag te maken. Ontgrenzing betekent hier dat de identiteit van de archivarissen (zoals Theo Thomassen ruim elf jaar geleden voorspelde in het Jaarboek “Naar een nieuw paradigma in de archivistiek”) niet meer bepaald wordt door de archieven die ze beheren – Romeinse schrijfplankjes, charters, films, geluid, analoog of digitaal -, ook niet meer door de publieksgroep die ze bedienen of de instelling waar ze werken (een archiefdienst, een secretarie, een bibliotheek of documentatiecentrum), “maar door hun professionele specialisme en de manier waarop ze dat specialisme in dienst stellen van de samenleving.” Dat zit wel goed, zolang er bevlogen, ervaren en vernieuwende archivarissen zijn als Roelof Koops.

_Voordracht bij het afscheid van Roelof Koops, directeur van het Zeeuws Archief, 17 juni 2010 door prof.dr. Eric Ketelaar

Zie ook de lezingen van Martin Berendse en Charles Jeurgens

Bookmark and Share

Reageer op dit artikel

Uw email adres wordt niet getoond
captcha
.