Lezing mr. M. Berendse

Daarom archieven! De toekomst van het verleden.

Dankzij de prettige coördinatie van Eric Ketelaar is niet alleen de titel maar ook de inhoud van ons beider verhaal op elkaar afgestemd. Dat was ook de bedoeling toen de organisatoren van deze bijeenkomst ons uitnodigden om hier wat over het verleden en de toekomst van het archiefwezen te zeggen. Ik vind het wel een mooi moment om hier, bij het afscheid van de nestor van het convent van rijksarchivarissen –of moeten we toch maar beter zeggen: “convent van directeuren van rijksarchiefbewaarplaatsen”?- over de toekomst van het archiefwezen te spreken.

Een extra bijzonderheid is dat er in het afgelopen jaar nogal wat binnen de archiefsector is gebeurd, dat van grote invloed kan zijn op onze toekomst. Ontgrenzing is het sleutelwoord in het betoog van Eric Ketelaar. Het wegvallen of je ontdoen van grenzen tussen rijks- en gemeentearchief; tussen archieven, musea en bibliotheken; tussen documenten, media en objecten; tussen onderzoeker en bezoeker; zender en ontvanger; informatie en fysiek archiefstuk; tussen publiek en privaat archief………en zo nog wat meer.

Metamorfose
Als ik Eric (en ook Roelof in het interview op de website van het Zeeuws Archief) mag geloven, is er zoveel veranderd in de afgelopen 35 jaar dat het archiefwezen een ware metamorfose heeft ondergaan. Ik kan het niet controleren want ik ben er niet bij geweest, maar ik geloof het natuurlijk graag. Kijk alleen al naar de prachtige huisvesting van het Zeeuws Archief, de fusie tussen de Provinciale Friese Bibliotheek en het voormalige Rijksarchief aldaar, Dordrecht, Delft, noem het maar op. Jazeker, een ware metamorfose. Ontgrenzingen binnen het archiefdomein en tussen de archieven en andere sectoren.

Bezinnen op de toekomst
Ik wilde eens met u proberen na te gaan of we het daarmee voor de komende periode zo’n beetje hebben gehad of dat het tot nu toe alleen nog maar voorzichtige aanzetten zijn geweest voor de grote omslag die nog gaat komen. Ik heb geen sluitend antwoord op die vraag. Daarom ga ik er een beetje hardop met u over filosoferen. Als beheerders van de intellectuele erfenis van Nederland horen we ons tenslotte met enige regelmaat te bezinnen op de toekomst. Juist als sluitende antwoorden ontbreken.

Grotere schokken
Mijn vraag voor vanmiddag is eigenlijk: gaat het evolutieproces in de archiefsector van de afgelopen decennia (met als belangrijkste veranderingen de grotere aandacht voor de archiefgebruiker en de komst van het internet in ons dagelijkse leven) gewoon door, of moeten we in de komende jaren rekening houden met één of meerdere wat grotere schokken?

Veel publieke sectoren hebben al eens zo’n schok meegemaakt. De publieke omroepen (door de komst van de commerciëlen en de kabel), het streekvervoer (door het concessie-systeem) of het Kadaster, door de vrijwel volledige omschakeling naar digitale dienstverlening. Staat ons nog zoiets te wachten of hebben we het eigenlijk al achter de rug? Zou bijvoorbeeld de ontvlechting van Nederlandse Spoorwegen en Pro-Rail eigenlijk niets zijn, vergeleken met de ontmanteling van de Rijksarchiefdienst? Of is het juist andersom?

Complete transitie
Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. Er zijn mensen die beweren dat de archiefsector door de komst van het internet en de oriëntatie op het publiek onherkenbaar is geworden. Voor die complete transitie zijn er bewijzen genoeg, vinden zij. Anderen beweren dat het “kernproces” binnen de archiefinstellingen niet of nauwelijks is veranderd.

De paar honderd bezoekers voor het Rijksarchief in Zeeland uit 1966 zullen, vinden zij, ongetwijfeld hun ogen uitkijken in dit prachtige nieuwe gebouw, even moeten wennen aan de computer bij de klantenbalie, maar even later komt de vertrouwde depotmedewerker de door hen gevraagde stukken, netjes binnen de afgesproken levertijd, brengen. Terwijl vrijwel alle postkantoren (vroeger ook publieke instellingen) zijn ontmanteld, is het de archiefsector gelukt om zijn fysieke infrastructuur vrijwel volledig te behouden, sterker nog: met enige regelmaat worden er prachtige gebouwen op A1-locaties geopend, neem bijvoorbeeld het Utrechts Archief in de voormalige rechtbank aan de Hamburgerstraat en het Stadsarchief Amsterdam in “de Bazel”.

Internetpubliek
Natuurlijk zijn archiefinstellingen het web opgegaan, maar –en ik citeer nu Margreet Windhorst in haar publicatie “Archieven in Transitie” voor Erfgoed Nederland, “…erg aanbodgericht werden toegangen en bronnen grootschalig gedigitaliseerd en op internet gezet, (….) maar het publiek gaat niet zelf op zoek naar archieven. De sector moet zorgen dat het publiek geconfronteerd wordt met archieven, er bij wijze van spreken over struikelt. (…) Het internetpubliek vergt een wezenlijk andere benadering dan traditionele publieksgroepen.” In die visie moet de metamorfose nog komen. Nogmaals, het is maar hoe je er tegen aankijkt.

Mijn persoonlijke beeld is dat beide standpunten waar zijn. Jazeker, de archiefsector heeft zich willens en wetens geopend voor het publiek. Archiefinstellingen zien zichzelf niet meer alleen als passieve beschikbaarstellers, maar als actieve presentatoren. Fusies hebben in de provinciehoofdsteden bijvoorbeeld Eindhoven, Tilburg, Alkmaar en Heerlen de slagkracht van de archiefinstellingen vergroot. Tegelijkertijd kunnen we vaststellen dat van een revolutionaire verandering van ons business- en distributiemodel, zoals die zich in bijvoorbeeld de banken-, reis- en boekenbranche heeft voltrokken, tot nu toe nog geen sprake is geweest.

Aanbodoriëntatie
Hoezeer het activiteitenpakket van archiefinstellingen ook is verbreed, hoezeer de publieksgerichtheid is vergroot, hoeveel er ook wordt samengewerkt met allerlei andere partijen in de informatie- en de erfgoedsector: de aanbodoriëntatie is nog groot en het basisproces in een gemiddelde archiefinstelling is niet of nauwelijks veranderd. Archieven worden nog steeds, nadat ze hun rol in het primaire proces bij de archiefvormer hebben gespeeld, overgebracht naar meer dan honderd, al dan niet openbare archiefbewaarplaatsen; ze worden er beheerd, ontsloten, beschikbaar gesteld en gepresenteerd aan het publiek. Er wordt meer aandacht aan ontsluiting en verrijking van de informatie besteed, jazeker en zoals al gezegd, beperken archiefinstellingen zich niet meer tot passieve “beschikbaarstelling”, maar gaan ze ook actief de boer op om hun publiek te benaderen.

Communiceren met de doelgroep
Sommige instellingen gaan daarbij heel ver. Neem het Brabants Historisch Informatie Centrum, één van onze directe collega’s. Daar is een reizend programma langs alle steden, dorpen en buurtschappen van de aangesloten gemeenten inmiddels één van de vaste onderdelen van het activiteitenpakket. Niet het presenteren van de eigen collectie, maar het actief communiceren met de doelgroep over hun herinneringen aan het verleden van hun dorp of buurtschap staat centraal. BHIC en de doelgroep zijn allebei evenveel zender als ontvanger. Web 2.0 in Lith en Grave. Bij het Nationaal Archief vinden we dat inmiddels overigens ook volstrekt gewoon: samen met NRC Handelsblad verzamelen we persoonlijke herinneringen en verhalen over de Tweede Wereldoorlog. En als New York 400 jaar bestaat, vertellen we een verhaal, waarin onze topstukken acteren naast bruiklenen uit Washington, Florence, Rotterdam en Rome. Maar nog steeds is de kern van het bedrijfsproces: waarderen/selecteren, overbrengen, beheren, ontsluiten, beschikbaar stellen en presenteren.

In eigen hand
Het gaat nog net niet zo ver dat we zelf alle archieven bewerken, restaureren en digitaliseren (op dit gebied wordt er inmiddels veel uitbesteed), maar voor het overige hebben we de hele keten nog op meer dan honderd verschillende plekken in eigen hand. Is dat logisch? Ja en nee. Logisch is het omdat onze organisaties en gebouwen daarop zijn ingericht. Maar het is minder logisch als kijkt naar alle, door Eric Ketelaar genoemde ontwikkelingen en je probeert te bedenken waartoe die allemaal nog meer zouden kunnen leiden.

Laat ik eens een paar van die mogelijkheden op een rij zetten:

1. Om te beginnen zouden we een geheel andere depotaanpak kunnen kiezen.
In plaats het decentrale model, zouden we tot concentratie op enkele plekken in het land kunnen overgaan. Voor eenvoudige raadpleging van archieven doet de afstand er immers niet echt meer toe. En op basis van gebruik is gemakkelijk na te gaan welke originelen in de buurt van de studiezaal moeten blijven en welke niet. In het verleden had de Rijksarchiefdienst wel zoiets als het hulpdepot in Schaarsbergen, maar het uitgangspunt is tot op de dag van vandaag nog steeds: opslag van de meeste collecties in heel veel verschillende depotgebouwen, vaak op hele dure locaties. De begroting van het Zeeuws Archief bijvoorbeeld wordt voor meer dan 58 % besteed aan huisvesting; bij het Limburgs Archief is dat zelfs bijna 59 %.

Ik weet niet hoe het hier in Zeeland is, maar wij hebben in Den Haag pas uitgerekend dat meer dan 60 % van onze collectie van bijna 110 strekkende kilometer archief in de afgelopen 20 jaar niet uit het depot is geweest. Nooit geraadpleegd. Je zou kunnen redeneren dat die archieven op een wat goedkopere locatie kunnen worden neergelegd, samen met allerlei andere “incourante” collecties van collega’s. Rationalisering van het proces van beheer en beschikbaarstelling door loskoppeling van “front” en “backoffice” voor de papieren archieven is het gevolg.

Een eerste teken dat de ontwikkelingen die kant op gaan, is een afspraak die we in het eerder genoemde convent hebben gemaakt. Vanaf heden gaan we geen decentrale depotuitbreidingen meer in gang zetten: de nieuwe opslagcapaciteit voor rijksarchieven wordt in de komende jaren op één of meerdere gezamenlijke locaties gerealiseerd.

Een vervolgstap is natuurlijk het onderscheiden van courante en incourante archieven, waardoor op locatie in de vestigingsplaatsen alleen de meest geraadpleegde en belangrijke archieven binnen handbereik blijven. Door front- en backoffice van elkaar te scheiden, wordt een andere productie- en distributieketen ingericht. Voordeel is een grotere efficiency, waardoor middelen op een andere wijze kunnen worden aangewend; nadeel is dat een einde komt aan de “intrinsiek samenhangende” collectie, bewaard op één locatie, naast de publieksruimten. Het is een kwestie van afwegen.

2. In het verlengde hiervan ligt een tweede, nog wat vergaander optie: een veel radicaler inzet op digitale raadpleging.
Het heeft mij als relatieve nieuwkomer in de archiefsector enorm verbaasd dat iedere willekeurige Nederlander het Nationaal Archief in Den Haag kan binnenlopen om zomaar –binnen de beoogde 20 minuten levertijd- een map originele brieven van zeg De Wit, Van Hogendorp of Thorbecke ter hand gesteld te krijgen. Alsof je nu naar het Rijksmuseum gaat en vraagt of je het Melkmeisje even vast mag houden omdat je er even wat beter naar wilt kijken. In het Palais Soubise in Parijs geldt al lang de regel dat de archieven van het ancien régime niet zomaar te bestellen zijn. Daar is raadpleging op microfilm de regel en fysiek contact met het origineel een met veel zorgvuldigheid omkleed proces.

Ons hele organisatie- en dienstverleningsmodel, zowel in het Nationaal Archief als bij de Regionale Historische Centra, is gebaseerd op de kostenloze, onmiddellijke raadpleging “on site” van àlle originele archieven. Het grootste deel van onze begroting (depots, studiezaal, personeel) wordt daaraan besteed. En dan te bedenken dat we rond de 90 % van onze klantvragen betrekking heeft op 10 % van onze collectie. En dat heel veel van die klanten geïnteresseerd zijn in de informatie en niet in het object.

Daarom hebben we in de strategienota e-Archief als consortium van rijksarchiefbeherende instellingen afgesproken er naar te streven dat binnen 10 jaar 10 % van onze collectie is gedigitaliseerd. Wat in feite ontstaat is het loskoppelen van de plaats waar het merendeel van de archieven wordt geraadpleegd (thuis), bewaard (ergens in het land) en actief gepresenteerd/verrijkt (bij de archiefinstelling). Je kunt er dan voor zorgen dat die collectie niet alleen beschikbaar is voor degene die er de reis naar onze instellingen voor wil maken, maar ook voor de internetgebruiker.

Het is maar waar je voor kiest: alle originelen altijd binnen 20 minuten op je studiezaal, of een mooie digitale kopie in alle studeerkamers van de wereld. En wie dan echt het origineel wil zien maakt even van tevoren een afspraak.

Door die loskoppeling is nog een geheel andere stap mogelijk:

3. De stap van vergaande specialisatie binnen de archiefsector.
Zolang je alle functies in de keten in alle instellingen tegelijk wilt vervullen, moet je als archiefinstelling van alle markten thuis zijn. In die gedachte is er één nationaal kennisinstituut –het Nationaal Archief-, dat nog net iets meer van alle markten thuis is.

Binnen de beperkte publieke middelen die voor het openbare archiefwezen beschikbaar zijn, is dat model eigenlijk nogal achterhaald en het hoeft ook niet meer. Waarom zou iedere instelling over alle expertise op het gebied van waardering & selectie, privacyrecht, auteursrecht, restauratie & conservering, digitaal duurzame bewaring en marketing moeten beschikken?

Natuurlijk moeten er op alle locaties all-round professionals aanwezig zijn die weten waar ze het over hebben. Maar niet iedereen hoeft op alle gebieden een specialist te zijn. Sterker nog: niet iedere instelling hoeft alle specialismen in eigen huis te hebben. Onze collega’s in Groningen hebben al een goed geoliede productiestraat voor digitalisering van oud-archief ingericht; op mijn verzoek zijn daar wat extra investeringen aan gedaan en wordt de capaciteit iets vergroot, zodat daar ook veel werkzaamheden voor het Nationaal Archief worden verricht.

Niet alleen kennis, maar ook bijzondere productietaken zouden slim kunnen worden verdeeld binnen de archiefsector. Ooit schijnt al eens geprobeerd te zijn een centraal restauratieatelier voor de Rijksarchiefdienst in te richten. Misschien dat het is afgeketst op het woord “centraal”, misschien was de tijd er gewoon nog niet rijp voor. Zulke plannen gaan natuurlijk pas echt gaan werken als je verschillende specialismen en productietaken over verschillende plaatsen in het land verdeelt en niet alles “centraal” in Den Haag wilt plaatsen. Zoiets gaat overigens pas werken als instellingen durven los te laten en een meerwaarde zien in het inzetten van hun specialisten voor de gemeenschappelijkheid. Misschien is de tijd daar binnenkort wel rijp voor.

Onderscheid vervaagt
Ik maak nu een wat grotere stap. Als het onderscheid tussen rijks- en gemeentearchief er niet meer toe doet, als het onderscheid tussen bibliotheek, museum en archiefdienst vervaagt, als de grote archiefcollecties in gemeenschappelijke depots ergens in het land terecht komen en misschien wel merendeels thuis kunnen worden geraadpleegd,…..waarom houden we dan eigenlijk al die “archiefwinkels met die studiezalen en magazijnen” nog in stand?
Ik kom daarmee op een vierde mogelijkheid:

4. Publieksfuncties van archiefinstellingen kunnen op heel veel verschillende plaatsen worden ingericht.
Hardop denkend en filosoferend heb ik zojuist niet veel minder gedaan dan de klassieke “archiefbewaarplaats” zoals we die nu nog in de Archiefwet kennen, opgedoekt. In plaats daarvan heb ik de “archiefpresentatieplaats” bedacht.

Neem nu de enorme rijksarchiefcollectie. Die is en blijft eigendom van de rijksoverheid en als de Raad voor Cultuur zijn zin krijgt, wordt die collectie alleen maar mooier en rijker, omdat daar niet alleen overheids- maar ook particuliere archieven aan worden toegevoegd. Daarnaast wil de Raad voor Cultuur dat er overheidsmiddelen komen om andere archiefcollecties financieel te ondersteunen.

Het is de vraag of het intellectuele beheer en de verrijking van die grote rijksarchiefcollectie exclusief belegd moeten blijven bij publieke organen, zoals gemeentelijke archiefdiensten, regionale historische centra, de onderzoeksinstituten van de KNAW (NIOD en IISG) en het overheidsagentschap Nationaal Archief. Je zou dat voor een deel kunnen “uitbesteden” aan bibliotheken en musea, zeker als het om gespecialiseerde collecties gaat die misschien wel heel goed passen bij collecties van die andere instellingen. Het gebeurt al op kleine schaal, maar het is eerder uitzondering dan regel.

Het NIOD is misschien eigenlijk wel het bekendste voorbeeld: rijksarchief in de zin van de wet is voor onbepaalde tijd in bruikleen gegeven aan het NIOD. Je zou dat zelfs voor bepaalde tijd kunnen afspreken, zodat je periodiek kunt evalueren of de afspraken goed worden nagekomen of dat er misschien toch een betere plaats is om de publieke dienstverlening voor bepaalde archieven te beleggen. Ik pleit er niet voor om jaarlijks heen en weer te slepen met collecties, maar het kan af en toe heel nuttig zijn je positie te heroverwegen.

In plaats van het strikte onderscheid dat we nu hanteren tussen rijksarchiefbewaarplaatsen, bewaarplaatsen voor gemeente- en waterschapsarchief en categoriale archiefinstellingen, zou er zoiets kunnen ontstaan als het “erkende” openbare archieflocaal, waar goed opgeleide archiefprofessionals de verrijking, de beschikbaarstelling en de presentatie van bijzondere archiefcollecties voor hun rekening nemen. Ze zoeken daartoe verbindingen met de andere collecties in hun instelling. Er ontstaat een “open bestel”, een beetje zoals in het onderwijs of bij de omroepen. Als je aan bepaalde voorwaarden voldoet, krijg je publieke financiering om bepaalde taken te vervullen. Er wordt toezicht gehouden en eens in de zoveel tijd wordt zo’n concessie, erkenning of hoe je het ook noemt, heroverwogen. Als ik het goed heb, functioneert er in Groot-Brittannië een model dat hier een beetje op lijkt.

Ook aan zo’n model kleven natuurlijk voor- en nadelen. In theorie worden de juiste archieven op de juiste plaats verrijkt en gepresenteerd. Zo dicht mogelijk bij de potentiële gebruiker, op de plaatsen waar we de grootste kans hebben ze te treffen. Aan de andere kant zou het model tot een te vergaande versnippering kunnen leiden.

Opschaling
Als je die versnippering het grote probleem van de archiefsector vindt, zou je tegenover dat open bestel nog een heel ander scenario kunnen plaatsen: het scenario van de opschaling. In feite de omgekeerde beweging. Sommigen menen dat de wegvallende grenzen tussen oud en dynamisch archief, de wens om publieke informatie eerder openbaar te maken en de enorme uitdaging van digitaal duurzame bewaring om zo’n opschaling vragen. En daarmee kom ik op een vijfde mogelijkheid:

5. De kernfuncties van digitale archiefzorg (selectie, beheer en beschikbaarstelling) worden in een digitale wereld op enkele plekken worden geconcentreerd.
Ooit, toen er nog geen sprake was van digitale raadpleging, leek het logisch om gerechtelijke archieven decentraal over te brengen en te bewaren: dicht bij de burger. Nu, bijna honderd jaar nadat dit stelsel wettelijk werd verankerd, kan je de vraag stellen welk belang je eigenlijk met zo’n decentrale aanpak dient.

Over niet al te lange tijd worden er digitale dossiers overgebracht, die overal kunnen worden geraadpleegd. Hoeveel beheerders heb je daarvoor eigenlijk nodig? Twaalf, drie, één? Of zouden het er juist dertig zijn? Evenveel als er bestuursregio’s zouden kunnen ontstaan? Of zou hier juist weer het motto gelden dat technisch beheer en beschikbaarstelling makkelijk in één hand kunnen worden gelegd, maar dat juist voor de verrijking en de actieve presentatie van dit materiaal een decentrale aanpak nodig is. Dicht bij de mensen, in juiste samenhang met locale en regionale archieven van de overheid en particuliere archiefvormers.

Internationale aanpak
Ik ga nog weer een stapje verder. Als front- en backoffice functies kunnen worden gescheiden, vergaande specialisatie mogelijk is, archiefraadpleging tijd- en plaatsonafhankelijk kan plaatsvinden en archiefgebruikers belang hebben bij zo integraal en diep mogelijke zoekfunctionaliteiten, zou het dan verstandig zijn om de informatie-infrastructuur op regionale of nationale leest te schoeien, of zijn we dan toe aan meer internationale samenwerking? Hier in Zeeland, zo dicht bij Antwerpen, Gent, Brugge en Brussel, ben ik benieuwd wat u van het scenario van de internationale aanpak denkt. Dat brengt mij tot een zesde mogelijkheid:

6. In plaats van te investeren in “digitale voorkanten” (websites, portals etc.) zouden we vooral kunnen inzetten op de technische en inhoudelijke ontsluiting van onze collecties.
Door niet meer massaal in te zetten op onze eigen homepages-met-knoppen verliezen de instellingen misschien hun “gezicht” op het internet, maar het is de vraag of over een tiental jaren de internetsamenleving nog is geïnteresseerd in het digitale “gezicht” van meer dan honderd archiefinstellingen of vooral in de inhoud van
de collecties. De enige bloggers en twitteraars die worden “geloofd” zijn individuen en van instellingen wordt vooral verwacht dat ze hun informatie delen. Radicaal en op een zo groot mogelijke schaal.

Zouden archiefinstellingen over een jaar of tien allemaal zelf nog zoekfunctionaliteiten in de lucht houden? Of zou dat gewoon op nationale of internationale schaal gebeuren en is het vooral zaak je wagonnetje achter die grote locomotieven te hangen? Het Nationaal Archief bouwt momenteel mee aan een Europees Archief Portaal, in feite de afdeling archieven van Europeana. De impact van een dergelijke aanpak is op wat langere termijn eigenlijk nog nauwelijks te overzien.

Waar gaan we naar toe? Gaan we diep zoeken op Europese schaal? Wie zal het allemaal zeggen, dames en heren. Aan het begin van mijn betoog vertelde ik u dat er veel is gebeurd in het afgelopen jaar dat van vergaande invloed op de toekomst van het archiefwezen zou kunnen zijn. Het goede nieuws is dat dat niet onder grote druk van buiten is gebeurd, maar omdat de leiders van de archiefinstellingen zelf geloven in innovatie door samenwerking. Er ligt een mooie gemeenschappelijke toekomstvisie van de brancheorganisatie BRAIN en de Koninklijke VAN.

Ik noemde u al dat we binnen het consortium van rijksarchiefbeherende instellingen (Nationaal Archief en Regionaal Historische Centra) een visienota e-Archief hebben gepresenteerd en deze week heeft het gehele Nederlandse archiefwezen zich verenigd in de ArchiefCoalitie Digitale Duurzaamheid, met een vergaand plan voor gemeenschappelijke e-Depotvoorzieningen op nationale schaal. Dat is nogal wat. Als alle voornemens uit die drie stukken worden gerealiseerd, is er heel veel mogelijk en kunnen we onze keten als het ware opnieuw uitvinden.

Zou dat een goed idee zijn? Zouden we moeten opschalen en specialiseren? Moeten we naar een open bestel of juist niet? Is digitale dienstverlening het uitgangspunt, blijven we integraal actief in de binnensteden of zien we onze outlets daar vooral voor de presentatiefuncties? Ik kan het u allemaal niet voorspellen.

Over drie dingen ben ik betrekkelijk zeker en daar sluit ik graag mee af:

1. De volledig zichzelf voorzienende archiefinstelling waar het gehele bedrijfsproces van selectie, beheer, beschikbaarstelling en presentatie integraal wordt doorlopen, zal over een tijdje niet meer de basis van het Nederlandse archiefwezen zijn. Consortia, shared services, specialisatie, fusies, netwerken en andere samenwerkingsvormen zullen meer en meer het beeld gaan bepalen. Door de technologische ontwikkelingen behoeven de drie kernfuncties in het archiefstelsel (selectie, beheer en presentatie van archieven) niet noodzakelijkerwijs meer op één plaats door één organisatie te worden uitgeoefend.

Dat biedt ongekende mogelijkheden om het beste van verschillende scenario’s en opties samen te brengen. Waar opschaling en concentratie voor beheersfuncties van belang kan zijn, is verdergaande decentralisatie en ontgrenzing ten opzichte van andere sectoren bij de publieksfuncties wellicht meer voor de hand liggend. Technologische ontwikkelingen lijken opschaling in de backoffice af te dwingen, het gebruik van archieven lijkt in een veel fijnmaziger aanpak te gedijen waardoor meer ruimte, meer gemak en meer creativiteit ontstaat. Er valt heel erg veel te kiezen in de komende jaren.

2. Ik ben er ook betrekkelijk zeker van dat de ruimte die de archiefsector in de afgelopen jaren voelde om zelf de regie in eigen hand te houden (zonder al te veel druk van bestuurders en stakeholders) in de komende jaren verder onder druk komt te staan. Over bezuinigingen durf ik het niet eens te hebben. Maar zelfs als de archiefsector zou worden ontzien (wat ik natuurlijk vurig hoop), moeten we er rekening mee houden dat we de vernieuwingen die nodig zijn om beter in te spelen op het digitale tijdperk, voor tenminste een deel zelf moeten financieren.

Grote digitaliseringsprogramma’s zijn tot nu toe met veel extra middelen gefinancierd. De bereidheid om extra overheidsgeld in digitale content te investeren neemt echter af. Daarom denk ik dat we vanuit de archiefsector naar een nieuw “contract” met onze financiers moeten zoeken. We hebben heel veel steun nodig voor het verbeteren van de digitale infrastructuur voor de archieven en daar zal ik me voor blijven inzetten. Een van de succesfactoren zal echter zijn of we er in slagen om ook zèlf te investeren: niet in de infrastructuur (daarop mogen we een beroep doen op onze financiers), maar wel in de digitale producten en diensten. Die noodzaak om zelf ook te investeren en om te buigen binnen de eigen begrotingen zou wel eens tot één of meer van de hierboven genoemde scenario’s kunnen leiden.

3. En waar ik tenslotte zeker van ben is dat die vernieuwingen alleen maar succesvol zullen zijn als ze van binnenuit in de archiefsector worden ontwikkeld en gedragen. Zeker als ik terugkijk naar de zeer intensieve en constructieve gesprekken die we in de afgelopen periode met elkaar hebben gehad (in het convent, in de dialoog met Brain en KVAN, bij de voorbereiding van de ArchiefCoalitie Digitale Duurzaamheid en zo meer) ben ik daarover zeer hoopvol gestemd.

Wat mij wat minder vreugdevol stemt, is dat we daarbij de jongstbenoemde en op dit moment langstzittende rijksarchivaris moeten gaan missen. Je kunt zeggen wat je wilt, maar vanuit Zeeland stonden ze tot nu toe altijd vooraan als het ging om meedoen aan ontwikkeling en innovatie. Op de Zeeuwse bijdrage aan de Generaliteit kon altijd worden gerekend. En zo hoort het natuurlijk ook. Ik ben er van overtuigd dat dat er in al die jaren door Roelof zo is ingehamerd, dat we daar in de komende jaren nog wel een tijdje plezier van kunnen hebben in de rest van Nederland. Vanaf deze plaats wil ik onze zeer gewaardeerde collega Roelof Koops daar hartelijk voor bedanken.

- Toespraak van de algemene rijksarchivaris, Martin Berendse, bij het afscheid van Roelof Koops als directeur van het Zeeuws Archief, donderdag 17 juni 2010

Zie ook de lezingen van Eric Ketelaar en Charles Jeurgens

Bookmark and Share

Reageer op dit artikel

Uw email adres wordt niet getoond
captcha
.