A. den Doolaard: De strijd om het Nollegat

Schrijver A. den Doolaard in dienst van de droogmaking van Walcheren

Voor Radio Oranje deed verslaggever en schrijver A. den Doolaard verslag van de droogmaking van Walcheren. In het archief van de Dienst Droogmaking Walcheren zijn radioverslagen voor Radio Oranje bewaard gebleven. Hieronder volgt het relaas van de radio-uitzending van 7 september 1945 met de boodschap: De strijd om het Nollegat is gewonnen! Een paar weken later bezweek de nieuwe dijk onder de kracht van de zee.

In september 1945 was Den Doolaard ooggetuige van het dichten van het eerste dijkgat, het Nollegat bij Vlissingen.

Dijkgat ten westen van Vlissingen

Den Doolaard: “Het Nollegat was begin juni nog 350 meter breed. Met springtij, de periode van hoge vloedstanden, die om de veertien dagen haar toppunt bereikt, stroomde er met elke vloed 22 miljoen kubieke meter water door het Nollegat het eiland in, waarvan ongeveer de helft dwars over het eiland Walcheren heen stroomde om door het Gat van Veere weer weg te vloeien. Tijdens de periode van lage vloedstanden, het zogenaamde doodtij liepen er met elke vloed ‘slechts’4.5 miljoen kubieke meter water naar binnen.”

Maandenlang vechten tegen het water

In zijn radioverslag voor Radio Oranje van 7 september, met de titel ‘De slag om het Nollegat’ wist de schrijver op meeslepende wijze zijn publiek verslag te doen van het maandenlange gevecht dat tegen het water was gevoerd. Zo beschreef hij hoe de zee terrein won nadat het 10 augustus 1945 noodweer werd. Het gat in de nieuwe dijk bij het Nollegat bedroeg toen nog 150 meter.

“Inktzwarte buien vallen uit de dikke lucht. De wind schiet in het westen; de rollers van de branding staan zichzelf te verspetteren, een huis hoog boven de Duitse bunker op de kop van de oude dijk. De vloed jaagt over de kop van het nieuwe dijklichaam. De dijkwerkers vechten met zandzakken, waarmee ze tot hun middel door het woeste vloedwater lopen.”
“Maar weer komt de zee er van achter en af in; een listig watertongetje, dat groeit tot een klein geultje; en dan zie je het zand wegmelken uit de zakken. Buiten staat het water drie meter boven N.A.P. En heel dit springtij komt in woeste rollers het gat binnen donderen. Bij de eerstvolgende eb blijkt, dat de zee weer 40 meter gewonnen heeft.”

Maatschappij tot Uitvoering van de Zuiderzeewerken (MUZ)

Vervolgens beschreef de verslaggever het materiaal van de Maatschappij tot Uitvoering van Zuiderzeewerken (MUZ). De regering had de opdracht tot droogmaking in juni van het jaar aanbesteed bij de MUZ.
Evenals bij de Afsluitdijk werd keileem gebruikt om het Nollegat te dichten. De keileem – “een taaie substantie” – werd met bakken (vaartuigen van de MUZ) vanuit Klundert bij Moerdijk aangevoerd.

Den Doolaard: “Er wordt een regelmatige dienst voor elkaar gebokst met bakken klei, van de Klundert naar de kraan in het Nollegat, een dikke dag varen door de Zeeuwse wateren. En dan gaat de kraan, met zijn arm van 30 meter lang, en zijn grijper, die 3 ton kan pakken, even laten zien wat hij kan. De bak vol keileem wordt in de vliegende stroom langszij gebracht door de sleepboten. Met een klap tegen de wanden van de bak zakt de grijper in de grauwe klefheid van de klei omlaag.”

Een nieuw middel: caissons

Toch kan met het bestaande materieel van de MUZ niet worden volstaan. Slecht weer belemmert de werkzaamheden. Dan beschrijft Den Doolaard hoe Rijkswaterstaat een nieuw middel inzet: “vreemde witte betonnen kisten […], drijvende caissons, indertijd door de Engelsen gebruikt bij de aanleg van de kusmatige invasiehavens in Normandië […].”

Kudde witte olifanten

Ook bij het afzinken van de caissons gooit het slechte weer roet in het eten. “Dan komt de vloed opzetten, met krullende rollers. De betonnen monsters kwakken tegen elkaar, ze donderen tegen de kraan op, de splinters vliegen van het berghout, ze beuken elkaar de brokken uit de betonnen flanken. De sleepboot gooit los, de kraan kapt los, de vier met elkaar versjorde betonnen kisten raken op drift en galopperen als een kudde witte olifanten door het gat heen het overstroomde eiland in.”

De strijd om het Nollegat is – niet – gewonnen

Pas als Rijkswaterstaat een Duitse aak laat afzinken in het Nollegat lukt het de dijkwerkers de dijk te voltooien. Den Doolaard maakt dat moment mee, in de nacht van 2 op 3 september 1945 om twee uur ’s nachts ziet hij hoe een grote drijvende kraan “een machtige plof klei van 3000 kilo” tussen twee caissons laat vallen. De dijk is dicht. “De slag om het Nollegat is gewonnen”, jubelt de verslaggever. Echter enkele weken later moet Radio Oranje melden dat de dijk is doorgebroken.

Bookmark and Share

A. den Doolaard op Walcheren

beschrijving

A. den Doolaard is het pseudoniem van Cornelis Johannes George (Bob) Spoelstra jr. (1901-1994).
Hij zegde zijn baan van boekhouder op om te gaan zwerven door de Balkan en Frankrijk. Zijn ervaringen verwerkte hij in romans en krantenartikelen.

Al vroeg waarschuwde Den Doolaard tegen het opkomende fascisme. In mei 1940 vluchtte hij met zijn vrouw per fiets naar het zuiden. Uiteindelijk slaagden ze er in om Engeland te bereiken. In Londen werkte Den Doolaard als verslaggever bij de radiozenders De Brandaris en Radio Oranje. Na de Tweede Wereldoorlog deed Den Doolaard verslag van de droogmaking van Walcheren, waarna hij er een roman over schreef: Het verjaagde water.

Radio Oranje

Radio Oranje – 'De stem van strijdend Nederland’ – was een radioprogramma van de Nederlandse regering, die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in ballingschap in Londen bevond. Het programma werd aanvankelijk uitgezonden door de BBC. De uitzendingen bevatten beschouwingen op het nieuws, maar ook gecodeerde boodschappen voor het verzet in Nederland. Daarnaast wilde Radio Oranje de Nederlanders in bezet (en bevrijd) gebied een hart onder de riem steken. Zo ook reporter Den Doolaard.

Foto: “A. den Doolaard“ door Polygoon Hollands Nieuws – Cut from File:WEEKNUMMER461-HRE00013A19.ogv / Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid / NOS Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid / NOS. Licentie CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons.

Uit het archief