De wederopbouw van Middelburg

De wederopbouw van het stadshart van Middelburg was een gigantische opgave. Burgemeester Van Walré de Bordes leek niettemin optimistisch: ‘Middelburg kan mooier opgebouwd worden dan het is geweest!’ Bij iedere vorm van planmakerij was men echter wel bijzonder afhankelijk van de opstelling van de Duitse bezetter.

Rijkscommissaris Seyss-Inquart nam in het begin een tegemoetkomende houding
aan in de hoop de bevolking voor de Germaanse zaak te winnen. De Duitsers zaten
met het bombardement van Middelburg in hun maag. Zij probeerden de schuld in de schoenen van de geallieerden te schuiven. Terugtrekkende Franse soldaten zouden
op verschillende plaatsen brand hebben gesticht, meldde de Telegraaf.

Geen inspraak

Seyss-Inquart beschouwde het herstel van de verwoeste steden als een zaak van nationaal belang. Dr. ir. J.A. Ringers werd regeringscommissaris voor de
wederopbouw. Op Walcheren werd mr. dr. R.W. graaf van Lynden zijn vertegenwoordiger. De centrale Haagse regie onder leiding van Ringers had tot gevolg dat deze niet gehinderd werd door de plaatselijke politieke verhoudingen. In de discussie rond de bouwplannen werden de Middelburgers amper gehoord en zo konden zaken gemakkelijk geregeld worden zonder inspraak- of beroepsprocedures. Tijdens de bezettingsjaren kon bijvoorbeeld door de nationale onteigeningspolitiek de herverkaveling van de binnenstad gerealiseerd worden.

’t Zand geannexeerd

Voor de bijna 600 verwoeste panden in de binnenstad moesten snelle maatregelen
worden genomen. Rond het centrum werden 51 houten noodwinkels opgericht. Het
woningtekort moest worden opgelost door maar liefst 1.400 huizen te bouwen. Hoewel het buurtschap ’t Zand eigenlijk tot het grondgebied van de gemeente Koudekerke behoorde, werd het zonder mogelijkheid tot tegenspraak door Middelburg geannexeerd. De eerste huizen kwamen er in 1941 gereed en in december 1942 waren inmiddels 149 arbeiderswoningen voltooid.

Invloed bezetter bleef beperkt

Middelburg mag zich gelukkig prijzen dat de uiteindelijke invloed van de bezetter op de wederopbouwplannen beperkt bleef. De Duitse bemoeienis vond plaats in de persoon van dr. H. Roloff, hoofd van de afdeling planning van het Rijkscommissariaat. Hij wilde in Middelburg een van de vijf grote staatstheaters van Nederland bouwen met 800 plaatsen en een sportterrein voor massabijeenkomsten. Bovendien moest een autoweg dwars door de stad worden getrokken via de Rotterdamsekaai, de Dam en Giststraat naar de Markt en weer terug via de Lange en Korte Delft. Ook toen constateerde men echter dat oude steden en autoverkeer in principe onverenigbare partners zijn.
plattegrond van Middelburg vóór 1940 - HTAM-117a Plan voor de wederopbouw van Middelburg - HTAM-117b

>>>

Middelburg vóór 1940 en planning voor wederopbouw

De Inspecteur van de Volksgezondheid en Volkshuisvesting, jhr. Ir. J. de Ranitz, maakte al in mei 1940 het eerste herbouwplan, dat uitging van het volledige herstel van de oude situatie. Op 1 januari 1941 begon de Stichting Herbouw Middelburg onder leiding van ir. P. Verhagen aan haar taak. Verhagen was oud-compagnon in een architectenbureau van prof. ir. M.J. Granpré Molière, die als geestelijk vader geldt van de Delftse School.

Stempel van Delftse School

De aanhangers van de Delftse School stonden voor traditie, ze verzetten zich tegen
ongemotiveerde vernieuwingen. Supervisor Verhagen wilde een herbouw die een
harmonische eenheid vormde met de monumentale binnenstad. Verhagen koos voor volgzame ontwerpers boven eigenwijze bouwmeesters. Hij voerde zelf het welstandstoezicht uit en stelde zeer strenge randvoorwaarden. Zo mocht de
perceelbreedte van een pand niet meer dan zeven meter zijn, een etalageruit niet breder dan 120 cm en waren er ook voorschriften voor de kozijnafmetingen. De niet al te opvallende gebouwen moesten zowel in bouwstijl als in kleur samenhang vertonen met de oude omringende bebouwing.

Aangenaam heterogeen

In tegenstelling tot veel naoorlogse nieuwbouw is de heterogeniteit van de panden van de Delftse School aangenaam verassend te noemen. Alle huizen verschillen van elkaar doordat Verhagen zijn architecten verbood twee naast elkaar gelegen gebouwen te ontwerpen. De herbouw in ‘typisch Middelburgse sfeer’ zou de Hollandse cultuur propageren, werd wel gezegd en daarom een vorm van verzet tegen de bezetter. Ofschoon de Duitsers juist hun ‘Heimatarchitektur’ propageerden: bouwen in de stijl die hoorde bij de stad of streek.

Niet meer verscholen

Verhagen bleek wel bereid tot aanpassingen in het Middeleeuwse stratenplan, om zowel verkeerstechnische als esthetische redenen. De Grote Markt (7.800 m2) werd verkleind. Door de toevoeging van een nieuwe huizenrij, waar tegenwoordig winkels zijn gesitueerd zoals de ‘Drvkkery’, ontstond Plein 1940; bedoeld voor bussen die dan niet langer de Markt zouden ontsieren.

De Botermarkt verdween, evenals enkele kleine straatjes zoals de Korte Gortstraat en de Oude Kerkstraat. Bovendien vormden de Balans en de Lange en de Korte Burg niet langer een middellijn dwars door het oude centrum. Het resultaat: het Stadhuis en de Abdij lagen niet langer verscholen achter bebouwing.

Bezetter zet herbouw stop

De herstelwerkzaamheden kwamen echter door gebrek aan bouwmateriaal al weer snel tot stilstand. In de zomer van 1943 legden de Duitsers de herbouw van panden die na juli 1942 begonnen was stil. In 1941 kwamen er zes panden gereed (het eerste was St. Janstraat 9) en waren er 96 in aanbouw. Eind 1945 waren in totaal 102 panden herbouwd en 194 in aanbouw.

De herbouwpanden van Middelburg zijn vandaag de dag nog altijd herkenbaar aan de gevelsteen van de Middelburgse adelaar, die als feniks uit de as van het vuur van 1940 verrijst. Ondanks de snelle stopzetting van de herbouw werd de architectonische basis voor het herstel gelegd tijdens de bezettingsjaren.

logo van de herdenking Het Vergeten Bombardement in 2010

Bookmark and Share

Reageer op dit artikel

Uw email adres wordt niet getoond
captcha
.

Uit het archief