Calicotweverijen in Zeeland

Header alternatieve tekst

De firma Salomonson uit Almelo heeft halverwege de 19e eeuw samen met gemeente- of armenbesturen maar liefst 9 calicotweverijen in Zeeland opgericht. Het was een poging de export van calicot – een licht, katoenen textiel – naar Indië in stand te houden, én een poging de armoede te bestrijden.

Vóór 1831 werd calicot (ook wel katoentje genoemd), bestemd voor export naar Indië, voornamelijk vervaardigd in de Zuidelijke Nederlanden. Na de afscheiding is deze industrie verplaatst naar Nederland. De reden hiervoor was het in stand houden van de export van katoenen stoffen door Nederland, en deze niet kwijt te raken aan de Engelsen, maar ook een mogelijkheid om armoede in steden te bestrijden.

klik om het contract te openen

Succes voor Salomonson

Een succesvol bedrijf in de Nederlands textielnijverheid was de firma G. & H. Salomonson uit Almelo. Na 1833 richtte dit bedrijf zich voornamelijk op de productie van calicots en groeide hiermee uit tot de grootste textielonderneming in Nederland.

Overeenkomst tussen de gemeente Arnemuiden en G. en H. Salomonson, fabrikanten te Almelo, waarbij het gemeentebestuur een deel van het stadhuis ter beschikking stelt voor het plaatsen van 48 tot 50 weefgetouwen, 10 april 1839. Archief Stad en Gemeente Arnemuiden, toegang 1200, inv.nr. 1097.

Weeffabrieken en werkverschaffing

Eén van de grote afnemers was de Nederlandsche Handel Maatschappij (NHM). De NHM combineerde weeffabrieken met werkverschaffing. Afgesproken werd dat de NHM jaarlijks voor 500.000 gulden aan calicots uit Zeeland zou kopen. De Staats-Gouverneur van Zeeland liet gemeenten in Zeeland weten dat ook zij de gelegenheid kregen om jaarlijks een aandeel te nemen in het vervaardigen van calicot ten behoeve van de export naar Indië.

Armenfabrieken

De firma Salomonson richtte, in samenspraak met armen- en gemeentebesturen armenfabrieken op. In Zeeland waren 9 van deze zogeheten armenfabrieken. De gebouwen waar de fabrieken werden gehuisvest werden geleverd en ingericht door de deelnemende gemeenten. Als tegenprestatie werd werk verschaft aan ‘onvermogenden en bedeelden’. In later opgerichte weverijen in de polders was het werk in de weverij trouwens een bijverdienste en bleef het werk op het land hoofdzaak.

Weverijen in Zeeland

Als eerste werden in 1839 in Zeeland in Middelburg, Zierikzee, Goes, Vlissingen en Veere fabrieken ingericht. Middelburg stelde een oud Westindisch pakhuis aan de Blauwedijk en een pakhuis aan het Molenwater ter beschikking. In Vlissingen werd het voormalig pesthuis ingericht als weverij. Het inrichten kostte een gemeente soms teveel geld. De gemeente moest dan een lening afsluiten bij de firma Salomonson of een subsidie aanvragen bij het Rijk.
Later kwamen er weverijen bij in Arnemuiden, Westkapelle en Domburg. Als laatste werd in Wilhelminadorp, in november 1840, een calicotweverij ingericht.

Archief Stad en Gemeente Arnemuiden, inv.nr 1097

Het stadhuis van Arnemuiden werd ingericht tot weverij.

Tocht, koude en slechte verlichting

De omstandigheden in de fabrieken was niet erg gunstig. Vaak waren het oude, tochtige, koude en slecht verlichte gebouwen. Ook de werksfeer liet te wensen over. Ondanks een reglement van orde dat was opgenomen bij het contract tussen de firma Salomonson en de gemeentebesturen was er in de fabrieken in de steden sprake van ‘baldadigheid en plagerijen’ zoals ‘het garen van een ander stukbreken op het weefgetouw, of het bewateren van de kam, riet of doek van een ander’.

Archief Stad en Gemeente Arnemuiden, inv.nr 1097

De fabrikanten Salomonson verplichtten zich zoveel mogelijk kinderen aan te nemen.

Kwaliteit uit Zeeland

De productie in Zeeland bleek weliswaar duurder dan elders in Nederland maar de kwaliteit was beter. 50% Van de productie werd geschikt gevonden voor export, dit in tegenstelling tot de 3% van in Nijverdal geproduceerde calicots. Ook in Nederland bestond bij afnemers een voorkeur voor calicot uit Zeeland.
Bij zijn eerste bezoek aan Zeeland, in 1841, bezocht koning Willem II een groot aantal weverijen. Hij werd er door burgemeesters en de heren Salomonson vol trots rondgeleid.

Het einde van de weverijen

In 1849 liep met contract tussen de firma Salomonson en de gemeentebesturen af. Dit was geen reden voor de firma om de weverijen op te heffen. Maar in 1855, toen de calicotmarkt in Java erg slecht was, veranderde de firma van gedachten en besloot de weverijen te verkopen. Dit wilde niet lukken en er werden grote aantallen wevers ontslagen. In 1856 is de Zeeuwsche Weverij Combinatie opgericht waarin de firma Salomonson een financieel aandeel had.
Uiteindelijk zijn in de periode 1868-1870 de Zeeuwse weverijen opgeheven.

MD, juni 2013

Bronnen
Archief Stad en Gemeente Arnemuiden, toegang 1200, inv.nr 1097, Overeenkomst gesloten tussen de gemeente Arnemuiden en G. en H. Salomonson, fabrikanten te Almelo, waarbij het …
Krantenbank Zeeland van de Zeeuwse Bibliotheek
Kaland, J., Broeke, W. v.d., Gabriëlse, K., Lous, A, 'De wevers dat zijn er geen heren. De calicotfabriek en de wevers van Westkapelle.’ (2013)
’100 jaar G. en H. Salomonson. Kooplieden-Entrepeneurs, Fabrikanten en Directeuren van de Koninklijke Stoomweverij te Nijverdal’, proefschrift van Roelf Adrianus Burgers (1954)

Bookmark and Share

Reageer op dit artikel

Uw email adres wordt niet getoond
captcha
.
  • Ron op 27 juni 2013 om 19:45 uur
    Salomonson was ook in actief in het Gelderse Herwijnen, zijhet niet geheel onbesproken, in tijdschrift Historische King West-Betuwe is een artikel hierover geplaatst: 'Het drama van de Herwijnse calicotfabriek. Waren Salomonson en Van den Bosch betrouwbaar?, 1995, nr. 2, p. 30-46.
  • Maaike Doorenbos, Zeeuws Archief op 28 juni 2013 om 10:50 uur
    Dat artikel klinkt interessant! Heb jij het in bezit? Zou het graag lezen.

Uit het archief