Teksten tentoonstelling Akten van Lief & Leed
De tentoonstelling 'Akten van Lief & Leed – 200 jaar Burgerlijke Stand’ in het Zeeuws Archief bestaat uit drie onderdelen: geboorte, huwelijk/echtscheiding en overlijden. In elke vitrine wordt aan de van archiefstukken, literatuur, kranten, foto’s en tekeningen het verhaal verteld van iemand die in Zeeland is geboren, gehuwd, gescheiden of overleden. Bijzondere verhalen over gewone Zeeuwen: Een blinde dichteres die in haar tijd net zo beroemd was als Hieronymus van Alphen, een adellijk jongetje dat het bracht tot ambassadeur in Spanje, een boer op zoek naar vrouwen, notariskinderen die elkaar vonden, een dief die drie keer huwde en het tot een respectabel hoteleigenaar bracht, een Walchers echtpaar dat emigreerde naar de Noordoostpolder, een onbestorven weduwe die tien jaar lang moest wachten tot ze met haar jonge minnaar in het huwelijk kon treden, een wijnkoper die in korte tijd een keizer en twee koningen mocht begroeten, een kindermoordenares die ter dood veroordeeld werd en een visser die tijdens een stormramp overboord sloeg en vermist raakte. Zomaar een greep uit 7,2 miljoen naamsvermeldingen uit de personendatabase Zeeuwen Gezocht van het Zeeuws Archief. Tien unieke verhalen over gewone Zeeuwen.

VAN ADELLIJKE BLOEDE
Willem Ernest van Panhuys
. Veere 1 maart 1900
x Nemyšl (Tsjechië) 5 augustus 1937
† Morges (Zwitserland) 5 maart 1993
Willem Ernest van Panhuys stamt uit een oud adellijk geslacht. Hij is de oudste zoon van het echtpaar jonkheer meester Willem Constantijn van Panhuys (Den Haag 30 juni 1870-Noordwijk 15 mei 1929) en jonkvrouw Levina Anna Catharina van der Lek de Clercq (Middelburg 10 augustus 1876-Baarn 12 maart 1951). Op 11 september 1902 wordt in Koudekerke zijn broertje Johan Mary geboren.
Jeugd op Walcheren
Willem Ernest en zijn broertje Johan Mary brengen hun jeugd door op Walcheren.
Vader Willem Constantijn, oud-luitenant ter zee, bekleedt van 1897-1 juni 1901 het burgemeestersambt van Veere. Hij krijgt kennis aan de enige dochter van de vice president van de rechtbank te Middelburg en treedt op 18 mei 1898 te Koudekerke met haar in het huwelijk. In 1901 vertrek het echtpaar Van Panhuys-van der Lek de Clercq met hun zoontje Willem Ernest naar Koudekerke. Vader Willem Constantijn is daar met ingang van 1 juni 1901 benoemd tot burgemeester. Het gezin betrekt de buitenplaats Vijvervreugd. De buitenplaats was sedert 28 mei 1883 eigendom van Levina’s vader Johan van der Lek de Clercq, die op 29 september 1900 overleden was.
Het gezin Van Panhuys-van der Lek de Clercq trekt veel op met mensen uit de hoogste kringen op Walcheren, onder meer met de familie Van Citters. In een van de fotoalbums van deze familie bevinden zich enkele carte de visites (foto’s afgedrukt op kartonnen visitekaartjes) van het jonge paar en hun zoontjes Willem Ernest en Johan Mary.
In 1908 vertrekt het gezin Van Panhuys-van der Lek de Clercq naar Noordwijk, waar vader Willem Constantijn per 7 mei van dat jaar is benoemd tot burgemeester. Die betrekking bekleedt hij tot 15 april 1929, waarna hij een maand later op 58-jarige leeftijd overlijdt.
Adel trouwt adel
Zijn oudste zoon, jonkheer mr. Willem Ernest van Panhuys, treedt op 5 augustus 1937 te Nemyšl (Bohemen, Tsjechië) in het huwelijk met gravin Editha Maria Gabrielle Deym, jonkvrouwe von Stritez (Nemyšl 29 september 1911-Morges 13 september 2004). Het echtpaar vertrekt naar Saint-Jean-de-Luz (Frankrijk) waar op 24 mei 1939 een zoon, Jan Ernest Willem, wordt geboren. Het jaar daarop wordt in Madrid op 19 september hun tweede zoon Pieter Paul Frederik geboren.
In diplomatieke dienst
De diplomaat W.E. van Panhuys is onder meer werkzaam als agent, tijdelijk zaakgelastigde bij de Spaanse regering en gezant in Spanje en later Nederlands ambassadeur in Spanje. In 1964 speelt van Panhuys als Nederlands ambassadeur ook een rol in het geruchtmakende interview van de Telegraaf met prinses Irene, en staat zijn positie op het spel. Het komt hem echter op een reprimande te staan, hij wordt niet teruggeroepen. In 1965 bereikt hij de pensioengerechtigde leeftijd en wordt aan hem het grootkruis in de orde van Isabella de Katholieke toegekend.
Jonkheer mr. Willem Ernest van Panhuys overlijdt op 5 maart 1993 in Morges/Vaud, 93 jaar oud. Zijn weduwe overleeft hem nog 11 jaar.
‘K BEN BLIND, SCHOON 'T ZIELSOOG ZIET
Antje Ball
. Zoutelande 18 februari 1833
† Middelburg 10 januari 1911
Hieronymus van Alphen is bij velen bekend om zijn kindergedichten. Veel minder bekend bij het huidige publiek, maar in haar eigen tijd zeer geliefd, zijn de kinder- en gelegenheidsgedichten van Antje Ball uit de tweede helft van de negentiende eeuw.
Blind
Antje Ball wordt geboren op 18 februari 1833. Zij is het achtste kind van onderwijzer Leendert Ball (Zierikzee ca. 1800- Zoutelande 9 augustus 1853) en Neeltje Johanna de Koning (Wissekerke ca. 1794- Oostvoorne 28 mei 1876). Het gezin Ball-De Koning krijgt twaalf kinderen, van wie er zes op jonge leeftijd overlijden. Al vanaf haar vroegste jeugd kan Antje slecht zien. In 1852 verliest zij bij een ongeval het gebruik van een oog. In een zegewens aan haar vriendin Antoinetta Johanna Bakker laat Antje in 1855 schrijven: “Mijne lieve Vriendin! kan mijn oog op deez aarde : den vriendlijken lach uwer lippen niet zien, mijn hart dat gevoelt, o, dat kent toch uw waarde.” Ze schrijft nog zelf haar naam eronder. In 1857 is Antje volledig blind.
Schrijfster
Rond het midden van de negentiende eeuw begint Antje Ball met het schrijven van kinder- en gelegenheidsgedichten. In 1850 verschijnt haar eerste bundel ‘Geschiedkundige en andere dichtstukken’ en zes jaar later ‘Gedichten voor kinderen’. In de Zierikzeesche Nieuwsbode van 4 februari 1857 schrijft een bewonderaar hierover: “Na herhaalde lezing van haar werkje, moeten wij haar helder, schitterend talent bewonderen, waardoor zij toont waarlijk niet blind naar de ziel te zijn.” Antjes werk is, evenals dat van Van Alphen, stichtelijk en belerend. Ze zinspeelt in haar werk vaak op haar blindheid – “’k Ben blind, schoon ’t zielsoog ziet” – en schrijft ook brieven en gedichten in braille. Er verschijnen ruim negen officiële werken van haar hand. Daarnaast schrijft zij voor familie en vrienden verhalen en gedichten, zoals ‘Klaag en Juichtoonen opgemaakt door Antje Ball aan de Familie Wattel’.
Onderwijzeres en steenkolenhandelaarster
Van 2 augustus 1871 tot 1 juni 1876 woont Antje met haar moeder in Oostvoorne. Daar onderwijst zij kinderen in de ‘beginselen der christelijke leer’. Haar moeder schrijft in een ‘Moederlijke Heilbede’ ter gelegenheid van de 37ste verjaardag van haar dochter: “O! mijn kind mijn moederhart is zoo naamloos blijde dat gij met u liefen zorg me altijd zijt op zijde in mijn grijzen ouderdom.” Na het overlijden van haar moeder keert Antje terug naar Walcheren waar ze de brandstoffenhandel van haar familie, de firma Crucq-Ball overneemt. Antje overlijdt op 77-jarige leeftijd in Middelburg. In haar overlijdensakte staat als beroep vermeld: steenkolenhandelaarster.
BOER ZOEKT VROUWEN
Kornelis Stoel
. Serooskerke (S) 5 februari 1845
x Serooskerke (S) 28 december 1866 | echtscheiding 22 januari 1877
x Serooskerke (S) 19 september 1888 | echtscheiding 29 november 1897
† Serooskerke (S) 28 september 1918
Boer zoekt vrouw
In 1866 trouwt boerenknecht Kornelis Stoel (21) met Anna Kosten (20), dochter van een landbouwer uit Ellemeet. In 1867 wordt hun dochter Kornelia geboren. Het meisje wordt slechts 24 dagen oud en overlijdt op 26 mei van dat jaar. Anna verlaat op 7 juli 1867 de echtelijke woning om er nooit meer terug te keren. Later blijkt uit de rechtbankverslagen dat ze door haar broer is opgehaald om terug te gaan naar haar ouderlijk huis. Haar vader laat haar blijven, want hij is “bekend met het volslagen gemis aan overeenstemming tussen zijn dochter en haren man en begrijpende dat het toch niets worden zou.” In die jaren is een wettige reden voor het aanvragen van echtscheiding ‘kwaadwillige verlating’, die tenminste 5 jaar duurt. Pas na negen jaar vraagt Kornelis in 1876 echtscheiding aan. Hij is dan landbouwer en kan de proceskosten betalen. Dat is ook wel nodig, want de rechter besluit dat, “overwegende, dat hoewel geen wettige oorzaak tot het verlaten van de echtelijke woning gebleken is, niettemin uit de verklaringen der getuigen is kenbaar geworden dat de eischer [Kornelis] aanleiding tot die verwijdering heeft gegeven.” De scheiding wordt uitgesproken op 22 januari 1877. Anna hertrouwt op 19 oktober van datzelfde jaar te Ellemeet met tabaksplanter Cornelis Maters en verlaat de provincie.
Boer zoekt nog een vrouw
11 Jaar na de scheiding trouwt de dan 43-jarige Kornelis met Grietje Ringelberg (25) uit Ellemeet, ook een landbouwersdochter. Ruim voor het huwelijk is op 17 februari 1887 al een zoon, Jan, geboren. Er volgen nog twee zoons, Marinus en Pieter. Pieter overlijdt na 3 maanden. De kinderen wonen op dat moment alleen bij hun vader, want moeder Grietje heeft op 15 september 1891, een week na de geboorte van Pieter, “in de nacht heimelijk het echtelijk huis verlaten”, terug naar haar ouders in Haamstede. Zes jaar later, als Grietje de scheiding probeert aan te vragen, vertelt ze waarom ze het huis ontvluchtte: “Dat haar gemelde echtgenoot haar niet alleen dikwijls afranselde en de grofste beledigingen toevoegde, maar zelfs dikwijls, telkens als de verzoekster in hoogstzwangere toestand verkeerde, haar uit de één meter hoge bedstede op de stenen vloer heeft gesmeten.” Grietje vraagt dan ook echtscheiding aan op grond van mishandeling waardoor haar leven in gevaar wordt gebracht. Op verzoek van Kornelis wordt de scheiding afgewezen op een vormfout: Grietje heeft een verklaring van onvermogen tot betalen van de burgemeester van Haamstede gekregen, maar ze woont officieel nog in Serooskerke. Een half jaar later vraagt Kornelis toch zelf de echtscheiding aan, weer op grond van kwaadwillige verlating. Ook hij dient een verklaring van onvermogen in. Blijkbaar is het hem financieel ook niet voor de wind gegaan. De echtscheiding wordt uitgesproken op 26 oktober 1897.
Grietje hertrouwt in Haamstede op 18 januari 1901 met verver Abraham van der Ree en verlaat met hem de provincie. Kornelis blijft de rest van zijn leven alleen.
BREVET EN BENTEIJN, NOTARISSEN VERBONDEN
Frederik Jacobus Brevet
. IJzendijke 14 oktober 1834
x IJzendijke 23 september 1859
† IJzendijke 4 mei 1892
Frederik Jacobus Brevet is de zoon van notaris Jacobus Brevet (Cadzand omstreeks 1791-IJzendijke 27 oktober 1854) en zijn tweede vrouw Janna Maria Tromp (Hoofdplaat 28 januari 1802-IJzendijke 13 februari 1852). Vader Jacobus, zoon van Abraham Brevet, die als ‘landman’ (landbouwer) werkzaam was in IJzendijke, is de eerste Brevet in Zeeland die voor het notarisambt kiest. In 1817 wordt Jacobus beëdigd als notaris in IJzendijke en vervult deze functie tot zijn overlijden in 1854. Tevens volgt Jacobus Brevet in 1821 Johannes Isaak Benteijn op als burgemeester van IJzendijke en fungeert tot 1854 ook als ambtenaar van de burgerlijke stand van IJzendijke.
Door de echt verbonden
Jacobus’ zoon Frederik Jacobus Brevet wordt advocaat. In 1859 treedt hij in het huwelijk met Maria Alida Johanna Benteijn. Het burgerlijk huwelijk vindt plaats in het gemeentehuis. Daar geven bruid en bruidegom elkaar de rechterhand waarna de ambtenaar van de burgerlijke stand het formulier voorleest zoals dat is voorgeschreven in het Burgerlijk Wetboek 1, artikel 67: “De aanstaande echtgenoten moeten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in tegenwoordigheid van de getuigen verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen vervullen, die door de wet aan de huwelijkse staat worden verbonden.” Het bruidspaar geeft als antwoord: “Ja.” Het Burgerlijk Wetboek vervolgt: “Terstond nadat deze verklaring is afgelegd, verklaart de ambtenaar van de burgerlijke stand, dat partijen door de echt aan elkander zijn verbonden, en maakt hij daarvan in het daartoe bestemde register een akte op.” De akte wordt ondertekend door de ambtenaar van de burgerlijke stand, de echtelieden en de getuigen.
Families van stand
De echtgenote van Frederik Jacobus Brevet, Maria Alida Johanna Benteijn (IJzendijke 19 september 1836-IJzendijke 25 maart 1864), is de dochter van de IJzendijkse notaris Isaak Clement Otto Benteijn, wiens vader Johannes Isaac Benteijn dit ambt al uitoefende in dezelfde stad aan het begin van de negentiende eeuw. In 1868 wordt Frederik Jacobus Brevet notaris in IJzendijke. Hij neemt de standplaats over van zijn schoonvader en blijft notaris tot zijn overlijden in 1892.
Brevet en Benteijn, twee invloedrijke families die behoren tot de elite van IJzendijke en vertegenwoordigd zijn in burgerlijk en kerkelijk bestuur. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij op stand wonen. De notarispraktijk van Frederik Jacobus Brevet is gevestigd in het – nog steeds – grootste huis op de markt te IJzendijke.
Het echtpaar Brevet-Benteijn wordt in 1860 verblijd met de geboorte van een zoon, Jan, die echter in 1883 op 22-jarige leeftijd overlijdt. In 1862 wordt een tweeling geboren: Willem Karel en Karel Willem. Een jaar later ziet een meisje, Christina Maria, het levenslicht. Ook zij sterft jong, op 23-jarige leeftijd in 1887 in Domburg, waar ze dan woont met haar echtgenoot, de rijksontvanger Christiaan Reinhard Jacobus Bentfort. Moeder Maria Alida Johanna Brevet-Benteijn heeft het vroege overlijden van haar zoon en dochter niet meer meegemaakt. Zij overlijdt al in 1864, slechts 27 jaar oud. Frederik Jacobus blijft achter met zijn kinderen. Hij hertrouwt niet en overlijdt op 57-jarige leeftijd.
DRIE KEER IS SCHEEPSRECHT
Jan Cikardie
. Middelburg 28 december 1799
x Middelburg 9 augustus 1827
x Middelburg 17 juni 1834
x Rotterdam 14 september 1860
† Middelburg 1 november 1870
Johannes Emanuel Cikardie wordt geboren als onecht kind van een militair in Franse dienst en een Zeeuwse uit Middelburgs Ambacht. Bijna een jaar na zijn geboorte treden zijn ouders, Andreas Cikardie (Sicardij, geboren te Brussel omstreeks 1774) en Maria Maldegem (Middelburg omstreeks 1775-Middelburg 1 januari 1854), in het huwelijk. Jans vader werkt als ‘oppasser’ in het militair hospitaal te Middelburg. Jan is circa 1.60 meter lang, heeft zwart haar, bruine ogen, een rond gezicht, een hoog voorhoofd, een spitse neus, een ronde kin en blozende wangen. Hij beweegt zich soepel, heeft een vlotte babbel en is zelfverzekerd.
Diefstal en mishandeling
Jan Cikardie belandt voor het eerst langdurig in de gevangenis wegens diefstallen die hij pleegt als inwonende knecht in ‘Het Nieuwe Logement’ in Zierikzee. De eerste diefstal betreft koopwaren van een Rotterdamse koopvrouw, de tweede het gouden sigarenpijpje van de griffier van de rechtbank van Zierikzee. Jan wordt in maart 1824 veroordeeld tot een half uur te pronkstelling op het schavot en vijf jaar rasphuis.
In het jaar waarin hij vrij komt, trouwt hij met de veel oudere Zierikzeese weduwe Baaltje van der Os, ‘kasteleinester’. Jan is 27 en Baaltje 51. Samen met haar leidt hij het speelhuis ‘De Gouden Kan’ in Middelburg. Als hij bij een ruzie tussen beschonken cafébezoekers een gerechtsdienaar sommeert de ruziemakers naar buiten te brengen, gaat het fout. De man weigert, maakt Jan uit voor ex-bajesklant, waarop Jan de gerechtsdienaar naar de keel vliegt en hem bijna wurgt. Zes maanden gevangenisstraf, oordeelt de rechter.
Hotel Cikardie
Baaltje wordt niet oud. Jan hertrouwt met Johanna Vos (Zierikzee 27 januari 1814), een 20-jarige wees uit Zierikzee. Samen met Johanna leidt hij het ‘Het Gorinchemse Veerhuis’ in Middelburg. Dit logement is gevestigd aan de noordzijde van de Dam op de hoek van de Schuitvlotstraat bij de Dambrug. In 1852 verhuist het logement naar de Dam zuidzijde, naar een groot pand met zestien logeerkamers. De zaken gaan goed. Het logement wordt druk bezocht door rondreizende handelaren. Jan houdt er zelf ook allerlei handeltjes op na en noemt zich scheepsmakelaar. Na het overlijden van zijn tweede vrouw op 8 oktober 1859 hertrouwt Jan opnieuw. Hij is dan 60, zijn bruid, Adriana Catharina Philippus uit Delfshaven, 36. Jan Cikardie overlijdt op 70-jarige leeftijd. De 51-jarige Adriana Catharina hertrouwt op 2 februari 1876 met de 28 jaar jonge weduwnaar Jean Baptiste Fraigneux, reiziger uit Brussel. Deze wordt logementeigenaar van ‘Het Gorinchemse Veerhuis’ en verandert de naam van het logement in ‘Hotel Cikardie’.
BRUILOFTSFEEST OP DE DORSVLOER
Paulus Polderman
. Biggekerke 17 april 1903
x Biggekerke 18 mei 1927
† Middelburg 13 juli 1997
Op woensdag 18 mei 1927 trouwen Paulus (Pau) Polderman en Pieternella (Pie) Koppejan (Biggekerke 31 januari 1906) in Biggekerke. Pau en Pie stammen allebei uit oer-Zeeuwse families. Eeuwenlang hebben hun voorouders het Walcherse land bewerkt, koeien gemolken, groenten en graan verbouwd. Bruid en bruidegom dragen op ‘de mooiste dag van hun leven’ hun ‘zondagse goed’ en hebben hun schoenen glimmend gepoetst.
Voor de wet en voor God
Eerst wordt het burgerlijk huwelijk gesloten in het gemeentehuis. Dat schrijft het Burgerlijk Wetboek voor: “Geen godsdienstige plechtigheden zullen mogen plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van de eredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken.” (Wetboek 1, artikel 68). Als het JA-woord heeft geklonken zijn Pau en Pie voor de wet getrouwd. Aansluitend vindt de trouwplechtigheid in de Gereformeerde kerk te Meliskerke plaats. Het kersverse echtpaar laat zich wat onwennig fotograferen op het erf van ‘Het Hof’ in Krommenhoeke, de boerderij waarop Pau’s vader en grootvader ook hebben geboerd. Op de achtergrond van de trouwfoto staat de boerenschuur, met daarvoor de ‘automobiel’ van burgemeester Simonse en een van de ‘verewaehens’ waarin de bruiloftsgasten worden vervoerd.
Een trouwstoet van ‘verewaehens’
Het huwelijkspaar wordt die dag rondgereden in de ‘automobiel’ van burgemeester Simonse. Dit is in 1927 de enige auto in het dorp. Achter deze T-ford volgt een lange stoet van ‘verewaehens’ waarin de bruiloftsgasten zitten. Deze traditionele Walcherse wagens (vanwege het ophangsysteem met ijzeren veren ‘verenwagens’ of op z’n Walchers ‘verewaehens’ genoemd) hadden een belangrijke rol bij boerenbruiloften. Ruim 80 familieleden en vrienden worden de hele dag met de verewaehens vervoerd. ’s Avonds vindt in de schuur op de dorsvloer het bruiloftsfeest plaats.
Emigreren
Vanaf 1927 rijden Pau en Pie elke donderdag met hun ‘verewaehen’ naar de markt in Middelburg met boter en eieren en soms met graanmonsters bij zich. In 1944 wordt hun ‘verewaehen’ geconfisqueerd door Duitse soldaten die uit angst voor de inundatie naar Souburg vluchten. Kort na de oorlog koopt Pau een auto en een tweedehands trekker. Halverwege de jaren vijftig emigreert de familie Polderman-Koppejan naar de Noordoostpolder om op latere leeftijd weer terug te keren naar Walcheren. Daar overlijden ze in Middelburg, Pau in 1997 en zijn vrouw Pie op 13 november 2001.
ONBESTORVEN WEDUWE
Maria Frank
. Middelburg 6 juli 1767
x [Middelburg] ca. 1786
x Sluis 5 maart 1801
† Sluis 27 augustus 1834
Maria Frank ziet in 1767 in Middelburg het levenslicht. Zij treedt omstreeks 1786 in het huwelijk met Martin Benjamin Röder. Deze op 9 november 1761 in Busbach (Duitsland) geboren chirurgijn is rond 1785 naar Zeeuws-Vlaanderen gekomen. In Nederland wordt zijn achternaam in officiële akten op verschillende manieren geschreven: Röder, Roder, Roeder en Rouders. Zelf ondertekent hij met M.B. Reder. Het echtpaar gaat wonen in Cadzand. Chirurgijn M.B. Röder is een van de eerste leden van het tweede leesgezelschap dat in 1785 wordt opgericht in Cadzand. Zijn handtekening is te vinden onder het reglement van dit gezelschap. Op 13 december 1787 schrijft Ds. J.A. Anoti, de voorzitter van het leesgenootschap, in zijn aantekeningenschrift het volgende: “M.B. Reder vertrokken naar IJzendijke.” Nadere gegevens over zijn vertrek en of zijn echtgenote Maria ook naar IJzendijke vertrekt, ontbreken. Wel zeker is dat eind 1787-begin 1788 Maria in Cadzand het leven schenkt aan hun zoon, die de namen Thomas Johannes krijgt. Van Martin Benjamin Röder ontbreekt na de vermelding dat hij is vertrokken naar IJzendijke, elk spoor.
Spoorloos
Op 5 maart 1790 wordt Martin Benjamin Röder als vermist aangegeven. Zijn vrouw Maria Frank blijft achter met hun zoontje Thomas Johannes. Dan krijgt Maria kennis aan de veel jongere visser Johan Christiaan Hennefrund (geboren te Sluis 3 februari 1780). Maar aangezien Maria niet kan aantonen dat haar echtgenoot M.B. Röder overleden is of dat zij gescheiden is, moet ze maar liefst tien jaar wachten voordat ze met haar jonge minnaar in het huwelijk kan treden. Pa tien jaar na een verdwijning kan pas echtscheiding worden aangevraagd. In de akten van echtscheidingen van Sluis wordt verwezen naar een verklaring afgelegd voor de vrederechter in Sluis, waarin is opgenomen dat Martin Benjamin Röder wordt vermist sedert 5 maart 1790 en dat er inmiddels tien jaar zijn verstreken zonder dat men nog iets van hem heeft vernomen. Volgens de wet van 20 september 1792 kan op grond daarvan de echtscheiding officieel worden uitgesproken. Dat gebeurt op 22 december 1800.
Eindelijk getrouwd
Daar heeft Maria op gewacht. In 1801, op 5 maart, de dag van de vermissing van haar eerste man, huwt Maria te Sluis met de dan 21-jarige J.C. Hennefrund. Uit deze hartstochtelijke relatie wordt reeds op 1 oktober 1801 een dochter geboren. Een vruchtbaar huwelijk is het zeker, want er komen meerdere kinderen, waaronder een tweeling in 1805. De enige zoon uit haar huwelijk met Martin Benjamin Röder, Thomas Johannes, huwt twee maal en sterft in 1863 te Cadzand.
Maria Frank overlijdt in 1834 te Sluis op 67-jarige leeftijd. Haar echtgenoot Johan Christiaan Hennefrund wordt 73 jaar. Hij overlijdt op 23 mei 1853 eveneens te Sluis. Van Martin Benjamin Röder is nooit meer iets vernomen.
WIJNKOPER IN WOELIGE TIJDEN
Hendrik Brouwer
. Middelburg, 24 januari 1769
x Middelburg, 1 mei 1798
† Middelburg, 24 november 1837
“A[nn]o 1769. Januarij 24 – Dinsdag des avonds om 9 uuren werd ik, Hendrik Brouwer geboren, zoon van mr. Cornelis Brouwer en Suzanna Bomme. Gedoopt op Sondag nademiddag den 29 dito, in de Nieuwe kerk alhier, door Ds. Sijbrand Columba, rustend predikant van Batavia. De getuigen waaren Clara Gijse, weduwe Hendrik Brouwer, grootmoeder, en Bastiaan Boome, oom.”
Dagboek
Zo beschrijft de Middelburgse wijnkoper Hendrik Brouwer zijn geboorte in zijn ‘Geneälogie van de familie van Brouwer’, een boek vol met aantekeningen over zijn familie, uitgewerkte stambomen en een dagboek van zijn eigen belevenissen. Hij begint zijn ‘journaal’ op 24 januari 1802.
Brouwer gaat in de leer bij zijn oom om het vak van wijnkoper te leren. Op 12 november 1791 legt hij de eed af als vrije wijnkoper van Middelburg. Hendrik huwt met Johanna Jacoba Teijssen: “Des namiddags zijn met eenige familie, vrienden vrolijk geweest, en onthaald geworden op de kruitmolen de Goude Draak, door neef en nicht Van Hoornbeek.” Het kersverse echtpaar betrekt het huis ‘Den Houtthuijn’ op de Kinderdijk en verhuist in 1807 naar het huis ‘De Goude Pot’ aan Dam. Hun eerste dochtertje wordt dood geboren na een “kunstverlossing”. Het tweede dochtertje wordt op 26 november 1800 geboren en krijgt de naam Suzanna Cornelia. Twee jaar later laat Brouwer zijn dochter vaccineren: “Wij bidden God dat hij deese kunstbewerkinge zeegenen wilt, als een behoedmiddel tegen de kinderziekte.” Hendrik Brouwer heeft verschillende wereldlijke en kerkelijke nevenfuncties en wordt in 1803 benoemd tot schepen in het stadsbestuur van Middelburg.
Fransen en Engelsen
Hij ziet met lede ogen aan hoe het werventerrein achter de Kinderdijk lijdt onder de bezetting van de Fransen: “Nu helaas! Zien wij dit weleer welvarend plektie grond ontaard en tot wildernisse worden. ’s Compagnies pakhuisen zijn opgevuld met ellende en dood; als zijnde de steenende Gasthuisen geworden voor Fransche militairen…”. Dat is dan ook een reden om te verhuizen naar de Dam. Op 12 mei 1809 is Brouwer in zijn functie van schepen aanwezig in het huis van burgemeester Schorer (het huidige Van de Perrehuis, waarin het Zeeuws Archief is gehuisvest). De Koning van Holland, Lodewijk Napoleon, zal daar worden ontvangen. De gasten nemen naar belangrijkheid plaats in drie zalen. Brouwer heeft in de tweede zaal strategisch bij een sofa opgesteld. Als de koning de zaal binnenkomt, neemt hij plaats op de sofa. Brouwer schrijft: “… hij was geretourneerd van een tour door het eiland over Westcapelle en in eene opgetogen houding hoorde ik hem zeggen: ‘J’ai trouvé en pais superbe’, waar op de dochter van de Collonel Gradmann de indelicatesse hadde van te repliceren: ‘Oui Sire! mais cest dommage quil est mal sain’. Ik zag daar op duidelijk aan het gelaat van ZM dat hem zulk een bescheid ongevallig was om te moeten hooren.”
In datzelfde jaar vallen de Engelsen Walcheren binnen. Brouwer is op dat moment in Veere en keert ijlings terug naar Middelburg, tot zijn ontsteltenis met de oprukkende Engelsen in zijn kielzog. Hij weet ze net voor te blijven “… dog de Dampoort binnen zullende rijden, zag ik tot mijne ontsteltenisse gesloten, evenwel na eenige verdrietelijke minuten wagtens, hoorde ik onder de Engelsche het Trompet blazen, waar op de voorzeide Poort dadelijk wierd opengezet. En also reeden wij toen aan het hoofd van de Engelsche Troupen de Stad binnen.” Brouwer schrijft dat hij met de uitgebreide beschrijving van deze toevallige samenloop van omstandigheden hoopt te voorkomen dat zijn stadgenoten hem bij Napoleon Bonaparte zullen verklikken als verrader voor de Engelsen.
In 1810 bezoekt keizer Napoleon Bonaparte de stad. Het dochtertje van Brouwer is uitgenodigd om samen met elf andere meisjes bloemen te strooien. Brouwer zelf is niet zo gesteld op “den tijran Bonaparte” en wendt een “gevatte koude” voor om onder een uitnodiging voor een ontmoeting met de keizer uit te komen. Ook een benoeming tot “Adjoinet Maire dezer stad” weet hij handig te ontlopen door “zwak lichaamsgestel” en “onbekwaamheid in de Fransche Taal” voor te wenden.
Weer onder Nederlands bestuur
Hij accepteert in 1816 wel een functie in het nieuwe stadsbestuur als de Fransen Middelburg weer hebben verlaten. In die hoedanigheid ontmoet hij Koning Willem I bij de opening van het nieuwe havenkanaal op 9 augustus 1817. ’s Avonds is hij met zijn dochter uitgenodigd bij een souper en bal in de schuttersdoelen op de Balans “… het welke ZM nevens Prins Frederik voor korten tijd hoogstdeszelfs tegenwoordigheid heeft willen verëeren. Hebbende mijne dochter nevens de aanwezige dames partij in het dansen gehad.”
Het dagboek eindigt op 3 april 1818 met het overlijden van zijn tante “de laatste uit de generatien van mijne lieve ouderen en van vroegere leeftijden.”
DOOD EENER KINDERMOORDENARES
Sara Janse Geldof
. Vrouwenpolder, ca. 1805
x Middelburg, 22 juni 1826
† Middelburg 24 september 1838
“… heb ik gezien dat de persoon van Sara Janse Geldof, huisvrouw van Pieter Johannes Huissoon, oud 33 jaren, geboren en laatst woonachtig te Middelburg, zonder beroep, op een schavot opgerigt voor de puije van gezegden stadhuize, door den scherprechter aan eene worgpaal is gesteld en met den strop gestraft, dat er de dood na gevolgd is.” Aldus doet A. Vreke, griffier van de rechtbank, verslag van het voltrekken van het vonnis dat Sara Janse Geldof is opgelegd.
Slechts 33 jaar oud, krijgt Sara Janse Geldof de doodstraf. Zij is de laatste vrouw in Middelburg bij wie de doodstraf is voltrokken. Wat is er gebeurd?
Gouden strikken
Sara Janse Geldof, echtgenote van Pieter Johannes Huijssoon, woont in de Winterstraat in Middelburg. Zij maakt verschillende keren ruzie met haar man over de gouden strikken (gouden sieraden horend bij de Walcherse streekdracht) van hun 7-jarige dochtertje Leuntje, die ze zonder zijn medeweten naar de Bank van Lening heeft gebracht. Ze had later geprobeerd de strikken terug te kopen maar deze bleken daar kwijtgeraakt te zijn. Huijssoon dreigt dat er wat zwaait als zijn vrouw niet zorgt dat de strikken terugkomen. Sara is bang voor wat haar man zal doen. Ze zal iets moeten verzinnen. Als het 13-jarig dochtertje van landman Willem Blok haar volgens afspraak om 8 uur ’s morgens een mandje appels komt bezorgen, vraagt ze het meisje binnen te komen. Het meisje heeft ongeveer dezelfde strikken als die van haar dochter. Catharina Blok voldoet aan dat verzoek en loopt met Sara Geldof mee naar de zolder, zogenaamd om een bed op tafel te tillen. Op zolder ligt het mes al klaar waarmee zij het meisje zal ombrengen, om zodoende aan de strikken te komen. Als Sara een wagen en paard hoort rijden denkt ze dat het haar man is en ze stuurt Catharina weg met het verzoek op 26 maart nog een keer langs te komen. Die dag drinkt ze zich moed in en stopt het mes bij zich. Als Catharina komt vraagt ze het meisje weer mee te lopen naar boven. Daar grijpt Sara het kind vast en steekt het mes in haar keel. Ze ontdoet het meisje van haar sieraden en werpt het ontkleedde lijkje in het secreet (beerput). Daar wordt het ontzielde lichaam van Catharina later op die dag door de politie gevonden, samen met de bebloede kleding. De sieraden heeft Sara bij zich gestoken in een zak onder haar rok.
Schoentje
Sara Janse Geldof wordt in hechtenis genomen en tijdens het vervoer verliest zij haar schoentje. Dat is door iemand opgeraapt en het heeft jarenlang aan een balk in de Stadsschuur gehangen. Tegenwoordig berust het in de stadhuiscollectie van de gemeente Middelburg en het is te zien in de tentoonstelling.
Tijdens het proces worden vele getuigen gehoord. Sara Janse Geldof wordt verschillende keren verhoord en verklaart “over hare gruweldaad een zeer groot berouw” te hebben. Het vonnis luidt: dood door wurging aan de paal. Een verzoek tot gratie wordt afgewezen. Was Sara een man geweest, dan zou ze zijn opgehangen, maar men vond het in die tijd onzedelijk om vrouwen op te hangen omdat voorbijgangers dan onder de rokken konden kijken. Daarom werden ter dood veroordeelde vrouwen gewurgd aan de paal. Die werd opgesteld op het schavot voor het stadhuis. Zo ook voor Sara’s terechtstelling. De rechter begeeft zich op de dag van de tenuitvoerbrenging van het vonnis naar het stadhuis. Daar wordt Sara voor de laatste keer aan hem voorgeleid.
Ter dood gebracht
Sara Janse Geldof wordt onder grote publieke belangstelling terechtgesteld. De Vlissingsche Courant van 25 september 1838 meldt: “Heden middag [24 september 1838] had te Middelburg de ontzagwekkende plegtigheid plaats van de uitvoering van het vonnis, ten laste van Sara Janse Geldhof, huisvrouw van Pieter Johannes Huissoon, in der tijd, door het Hof van Assises veroordeeld, tot den dood, door het worgen aan eenen paal. Het, in der tijd, gedaan verzoekschrift, om gratie, was, door Z.M., van de hand gewezen. – Alles is in de beste orde afgeloopen, en eende diepe stilte heerschte bij de uitvoering. De veroordeelde heeft zich zeer gelaten gedragen, en de Predikant Molenaar, en de Krankbezoeker Verwijs hebben haar, tot haar uiteinde, troostrijk vergezeld.”
WORDT DE VREUGDE SOMS VERMENG MET DROEFENIS
(Vissersramp 1924)
Arie Meerman
. Arnemuiden 3 maart 1873
x Arnemuiden 4 juni 1892
† Vlissingen 3 augustus1924, levenloos gevonden
De ramp
Het is vrijdag 18 juli 1924. Op deze zomerse dag vaart de Vlissingse en Arnemuidse vissersvloot ’s morgens vroeg uit. Het weer is goed, maar dat verandert als de wind toeneemt en in korte tijd zelfs aanwakkert tot een zeer zware storm. De vloot, die in de buurt van Domburg ligt, komt in grote problemen. Het natuurgeweld teistert ook de ARM 27, met aan boord schipper Arie Meerman en zijn zoon Kees. Golven die in kracht toenemen beuken tegen de hoogaars aan en niet veel later maakte deze water en zinkt. Arie Meerman weet samen met Gillis de Nooijer op het schip te klimmen terwijl zoon Kees Meerman zich aan de mast vastklampt. Door een grote golf moet hij echter loslaten. “Kees verdrinkt!”, hoort hij zijn vader roepen. Op ongeveer 15 meter van het schip komt hij boven. Zich vasthoudend aan een stuk hout en met een plank ingeklemd tussen zijn benen, wacht hij noodgedwongen op hulp. Hartverscheurend zijn de taferelen die zich afspelen. Zijn vader Arie verdwijnt in de diepte en ook de andere twee bemanningsleden verdrinken. Ook voor Kees is de situatie uiterst hachelijk. Toch gloort er hoop als een reddingsboot hem in het vizier krijgt. “Dat is de redding voor mij”, denkt hij. Als de reddingsboot dicht genoeg bij hem is, krijgt hij een touw toegeworpen en via dat touw wordt hij aan boord getrokken. Van de bemanning van de vier vergane vissersschepen is Kees Meerman de enige die gered wordt. Hij heeft dan bijna drie kwartier in het water gelegen. De andere vijftien vissers komen om. In de dagen die volgen worden verschillende lichamen gevonden. Op 3 augustus 1924 spoelt in Vlissingen het lichaam van Arie Meerman aan. Dan heeft zijn vrouw Jannetje van Belzen zekerheid over het droevige lot van haar man.
Meeleven en hulp
De ramp maakt grote indruk op de Nederlandse bevolking en uit het hele land komt geld binnen om de nagelaten betrekkingen financieel bij te staan. Op vrijdagavond 8 augustus 1924 komt Koningin Wilhelmina naar Arnemuiden. Na aankomst met de koninklijke trein wandelt zij door de vissersplaats en brengt een bezoek aan de getroffen families om haar deelneming te betuigen. Op 1 augustus 1925 wordt op de begraafplaats in Arnemuiden onder grote belangstelling een gedenksteen voor de omgekomen vissers onthuld. Op dit monument staan de namen van de vissers vermeld: Arij Meerman, 51 jaar, Jan Siereveld, 45 jaar, Daniël van Belzen, 21 jaar , Johannis Siereveld, 17 jaar, Cornelis Ventevogel, 47 jaar.




